Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Of e-mail en ontvang binnen 24 uur een antwoord

Header mvo 1 scaled

Nieuws

De haij & van der wende advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Special onteigeningsrecht – blog III: Schadeloosstellingsprocedure bij onteigening

Onteigening 1536x1025

In deze blogserie bespreken we aspecten van het onteigeningsrecht op hoofdlijnen.

Het eerste blog in deze serie bespraken wij de verandering per 1 januari 2024 waarbij onteigening niet meer plaatsvindt via een Kroonbesluit, maar via een onteigeningsbeschikking en de bestuursrechtelijke procedure die daarbij komt kijken. In het tweede blog  kwamen de criteria voor onteigening aan de orde. Welke procedure doorlopen moet worden voor vaststelling van de schadeloosstelling is onderwerp van dit derde blog.

Nadat een onteigeningsbeschikking is bekend gemaakt, kan de onteigenaar de rechtbank verzoeken de bijbehorende schadeloosstelling vast te stellen. In tegenstelling tot de vaststelling van de onteigeningsbeschikking (die door de bestuursrechter wordt vastgesteld) geschiedt de vaststelling van de schadeloosstelling door de burgerlijke (civiele) rechter, hierna ‘de rechtbank’ genoemd. De onteigenaar kan de rechtbank verzoeken de schadeloosstelling vast te stellen al voordat de onteigeningsbeschikking onherroepelijk vast staat. Of dat verstandig is, laten we in dit blog buiten beschouwing. Het zal afhangen van de specifieke situatie.

Als de onteigeningsbeschikking onherroepelijk is, maar de onteigenaar niet binnen twaalf maanden daarna een verzoek om schadeloosstelling heeft ingediend, dan vervalt de onteigeningsbeschikking (art. 11.12 Omgevingswet). Ofwel, de onteigenaar kan het indienen van het verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling niet te lang uitstellen.

In het verzoekschrift neemt de onteigenaar op welke schadeloosstelling aan welke belanghebbende wordt aangeboden. Het is een overzicht waaruit duidelijk wordt hoe de onteigenaar voornemens is de belanghebbenden die met onteigening worden geconfronteerd, te gaan compenseren. In reactie op het verzoekschrift kunnen belanghebbenden een verweerschrift indienen als zij vinden dat de voorgestelde schadeloosstelling niet voldoende is.

De rechtbank plant vervolgens een mondelinge behandeling (vóór deskundigenbericht), waarin partijen ook hun visie kunnen geven welke deskundigen door de rechtbank benoemd moeten worden voor advisering over de schadeloosstelling.

De volgende stap in de procedure is dat de rechtbank zal overgaan tot een deskundigenbenoeming. Artikel 15.39 Omgevingswet verplicht de rechtbank een oneven aantal deskundigen te benoemen die een advies uitbrengen over de schadeloosstelling. De rechtbank mag hier niet van af zien. Ook benoemt de rechtbank een rechter-commissaris, die het aanspreekpunt is voor de deskundigen en partijen ten tijde van de totstandkoming van het deskundigenbericht (zie ook hierna).

De benoemde deskundigen gaan vervolgens ter plaatse (descente) om de ligging en de situatie op te nemen van de te onteigenen percelen. Hierbij zijn sowieso een rechter-commissaris en griffier aanwezig (artikel 15.40 Omgevingswet).

Na het onderzoek ter plaatse zal de rechtbank zo spoedig mogelijk een voorlopige schadeloosstelling voor elke belanghebbende vaststellen. De voorlopige schadeloosstelling is feitelijk een voorschot op de definitieve schadeloosstelling.

Ondertussen doen de deskundigen hun onderzoek en zullen zij komen tot een concept-deskundigenbericht waarin zij de schadeloosstelling hebben begroot. In de praktijk worden de belanghebbenden en de verzoeker (onteigenaar) in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept-deskundigenbericht. Het definitieve deskundigenbericht wordt door de deskundigen aan de rechtbank toegestuurd.

De procedure vervolgt zich doordat de rechtbank een mondelinge behandeling plant waarbij partijen nogmaals de gelegenheid hebben om hun stellingen toe te lichten. De deskundigen zijn ook aanwezig om eventuele vragen van de rechtbank over hun deskundigenbericht te beantwoorden of hun visie te geven op de stellingen van de partijen.

Na de mondelinge behandeling stelt de rechtbank de eindbeschikking met betrekking tot de schadeloosstelling vast (art. 15.45 Omgevingswet). Het eerder verleende voorschot wordt verrekend met de schadeloosstelling in de eindbeschikking. De kosten van de schadeloosstellingsprocedure komen voor rekening van de onteigenaar. Als kosten voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand door een belanghebbende in redelijkheid zijn gemaakt, komen deze kosten ook voor vergoeding in aanmerking.

Anders dan wat gebruikelijk is in civiele procedures, staat tegen de eindbeschikking van de rechtbank geen hoger beroep open. Er kan alleen maar beroep in cassatie worden ingesteld (art. 15.48 Omgevingswet) binnen drie maanden na de uitspraak van de rechtbank.

Hiermee is de civielrechtelijke schadeloosstellingsprocedure afgerond. Maar om de onteigening te effectueren dient er nog wel tot eigendomsoverdracht gekomen te worden. Dat gebeurt via het verlijden van de onteigeningsakte door de notaris. De notaris zal steeds moeten controleren of aan alle vereisten voor het verlijden van de onteigeningsakte is voldaan (artikel 11.16 Omgevingswet). De onteigeningsakte wordt ondertekend door de onteigenaar. De notaris zal vervolgens zorgen voor inschrijving van de onteigeningsakte in de openbare registers, waarmee de onteigenaar het onteigende verkrijgt.

Het bovenstaande geeft de schadeloosstellingsprocedure in een notendop weer. Dat een eigenaar die onteigend wordt schadeloos gesteld moet worden, is algemeen bekend. Maar ook anderen (derden) kunnen schade lijden door onteigening. In het vierde (en laatste) blog van deze serie gaan we in op deze groep en hoe het onteigeningsrecht dan uitpakt.

Hulp en advies nodig bij onteigeningskwesties? Neem contact met ons op.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Onevenredige handhaving?

Portrait male security guard with radio stationBent u weleens geconfronteerd met een handhavingsprocedure die, naar uw mening, onevenredig was of waar u het niet mee eens was? In een enkel geval kunt u dan in het gelijk gesteld worden en wordt de handhavingsprocedure inderdaad als onevenredig bestempeld. Dit was bijvoorbeeld het geval in de uitspraak die we in deze bijdrage bespreken.

Allereerst even de theorie. Handhaving door de overheid is alleen mogelijk wanneer de wet- en regelgeving dat bepaalt. De overheid heeft een beginselplicht tot handhaving. Dit houdt in dat de overheid, althans de bevoegde instantie, in beginsel moet handhaven wanneer dit mogelijk is op grond van wet- en regelgeving. Toch kan de overheid in het geval van bijzondere omstandigheden afzien van handhaving. Er is sprake van bijzondere omstandigheden als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

In haar uitspraak d.d. 13 december 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:7985) moest de Rechtbank Amsterdam oordelen over de evenredigheid van handhaving door de gemeente. In deze zaak speelden de volgende feiten. De eigenaar van een woning had een raamkozijn in zijn woning vervangen door een kozijn van ander materiaal, waarbij het kozijn niet is vergroot, maar wat er wel voor zorgde dat de raamindeling veranderde. Onder de vorige wetgeving (Wabo) was hiervoor een vergunningplicht opgenomen in artikel 2.1 lid 1 sub a van de Wabo. Het college ontving toen een handhavingsverzoek van omwonenden tegen het vervangen van het raamkozijn, omdat het kozijn van ander materiaal is en zorgt voor een andere raamindeling.

De rechtbank heeft toen geoordeeld dat het college zich op het standpunt kon stellen dat handhavend optreden onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het college kon daarom af zien van handhaving. De maatvoering en de kleur van het kozijn waren immers niet gewijzigd, waardoor de vervanging van het kozijn een geringe ruimtelijke verandering had, de belangen van derden hier niet onevenredig door geschaad werden en geen sprake was van een welstandsexces en geen sprake van reële hinder voor omwonenden. Tevens woog de rechtbank mee dat het college kenbaar had gemaakt dat, als voor kozijnwijziging wel een vergunningaanvraag was ingediend, zij die zou moeten verlenen vanwege het ontbreken van de weigeringsgrond. Ten slotte is de kozijnwijziging niet vergunningplichtig onder de Omgevingswet en hoewel de Omgevingswet niet van toepassing is op deze zaak, is een en ander wel relevant in het kader van de belangenafweging. Het college mocht dit aspect dus ook meewegen in haar besluitvorming.

Wanneer in 2023 een handhavingsprocedure is gestart tegen door u zonder de vereiste omgevingsvergunning uitgevoerde werkzaamheden is het dus verstandig om na te gaan of een weigeringsgrond zou bestaan indien u een vergunningaanvraag zou indienen en of voor vergelijkbare werkzaamheden onder de Omgevingswet ook een omgevingsvergunning zou moeten worden aangevraagd. Als dit niet het geval is, bestaat immers de kans dat de handhaving onevenredig is. Of daar sprake van is, zal steeds per situatie bekeken moeten worden.

Bent u zelf geconfronteerd met een (onevenredige) handhavingsprocedure of heeft u andere vragen over een handhavingsprocedure? Neem dan contact op met Gerard van der Wende, Petra Lindhout of met Fleur Huisman.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Special onteigeningsrecht – blog II: Criteria voor onteigening

Onteigening 1536x1025

In het eerste blog van de blogspecial onteigening is ingegaan op de wijziging van Kroonbesluit naar onteigeningsbeschikking en de daarbij behorende rechtsbescherming. In deze blog is tevens uiteengezet wie onder het begrip ‘onteigenaar’ kunnen vallen. Op grond van artikel 11.2 Ow zijn dit de gemeente, het waterschap, de provincie, de Staat en bepaalde andere rechtspersonen.

In deze tweede blogspecial over onteigening, gaan we – op hoofdlijnen – in op de criteria voor onteigening.

Om grond te mogen onteigenen, dienen onteigenaars bij de bestuursrechter een verzoek in om goedkeuring (bekrachtiging) van de onteigeningsbeschikking te verkrijgen.

De bestuursrechter zal, naast nagaan of alle vormvoorschriften zijn nageleefd, dan de basistoets moeten uitvoeren zoals opgenomen in artikel 11.5 van de Omgevingswet. In dit artikel zijn de criteria opgenomen waaraan een onteigeningsbeschikking moet voldoen. De onteigeningbeschikking kan alleen worden goedgekeurd:

  • In het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving,
  • als onteigening noodzakelijk is, en
  • als onteigening urgent is.

 

Hieronder bespreken wij de hierboven genoemde criteria puntsgewijs.

Onteigeningsbelang

Volgens artikel 11.6 van de Omgevingswet is alleen sprake van een onteigeningsbelang als de beoogde ontwikkeling, het beoogde gebruik of het beoogde beheer van de fysieke leefomgeving is mogelijk gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan, in een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of door een vastgesteld projectbesluit.

Kort gezegd moet de beoogde ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving (waarvoor onteigening nodig is) dus een grondslag hebben in één van de hierboven genoemde wettelijke instrumenten.

In het geval van het omgevingsplan is echter nog een extra criterium van toepassing. Uit het omgevingsplan moet namelijk blijken welke vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving, gelet op het algemeen belang, zou moeten worden gerealiseerd. Hiermee wordt voorkomen dat overheden zullen onteigenen op basis van een omgevingsplan dat zulke uiteenlopende bouw- en gebruiksmogelijkheden biedt, dat hieruit helemaal niet duidelijk wordt welk bouwwerk, welk gebruik of welk beheer hier, gelet op het algemeen belang, zou moeten worden gerealiseerd.

Het is daarom vereist dat in het omgevingsplan een specificatie wordt opgenomen, waaruit blijkt dat de specifieke vorm ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving, die wordt beoogd, ook daadwerkelijk in lijn is met het algemeen belang.

Voorts wordt aan het gebruik van alle drie de wettelijke instrumenten de voorwaarde gesteld dat deze moet zijn vastgesteld, voordat de onteigeningsbeschikking kan worden gegeven. Verwijzen naar een ontwerp-omgevingsplan is bijvoorbeeld niet voldoende.

Noodzakelijkheid

Blijkens artikel 11.7 van de Omgevingswet, is in ieder geval geen sprake van een noodzakelijke onteigening, als:

  • De onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan om de onroerende zaak minnelijk te verwerven. Er is sprake van een redelijke poging als er een serieus overleg heeft plaatsgevonden.
  • De onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan om met de eigenaar van de onroerende zaak tot overeenstemming te komen over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten. Wat onder een redelijke poging valt, hangt onder meer af van de concrete omstandigheden van het geval.
  • Aannemelijk is dat op korte termijn alsnog overeenstemming zal worden bereikt over minnelijke verwerving en de onroerende zaak hierna spoedig zal worden geleverd. Er moet dan in ieder geval een aanbod in geld worden gedaan dat betrekking heeft op de onroerende zaak.
  • Aannemelijk is dat op korte termijn alsnog overeenstemming zal worden bereikt over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten op de roerende zaak en de rechten hierna snel zullen vervallen. Als er naast de eigenaar andere rechthebbenden zijn en de eigenaar de onroerende zaak niet vrij van lasten en rechten kan leveren, moet de onteigenaar ook onderhandelen met die andere rechthebbenden.

 

Daarnaast is ook geen sprake van noodzaak, als:

  • De eigenaar van de onroerende zaak aantoont dat hij de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving kan en wil realiseren,
  • hij daarvoor voornemens heeft en dit ook kenbaar heeft gemaakt aan het bevoegd gezag, en
  • de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving zal verwezenlijken op de manier waarop het bevoegd gezag dit wenst.

 

Hierbij is niet voldoende dat de eigenaar mededeelt dat hij het plan zelf wil uitvoeren. Hij moet kunnen aantonen dat hij dit ook daadwerkelijk kan op de manier waarop de onteigenaar dit wenst en dat hij hiervoor ook concrete plannen heeft, die hij heeft gedeeld met de onteigenaar. Het is dus niet zo dat de eigenaar op deze manier ‘onder de onteigening uit kan komen’. Hij moet echte concrete plannen hebben en deze plannen moet hij ook kunnen uitvoeren.

Naast de standaardbepaling over noodzakelijkheid in artikel 11.7 Ow, worden in artikel 11.8 Ow tot en met 11.10 Ow meer specifieke gevallen besproken waarbij onteigening noodzakelijk wordt geacht. Deze criteria gelden dan naast de criteria uit artikel 11.7 Ow.

Het gaat om de volgende situaties:

  • Noodzakelijke onteigening in verband met de openbare orde (artikel 11.8 Ow). De (handhaving van de) openbare orde rond een gebouw kan ervoor zorgen dat onteigening van het gebouw noodzakelijk is. Let wel, dit is alleen mogelijk als minder ingrijpende instrumenten geen oplossing bieden.
  • Noodzakelijke onteigening in verband met de Opiumwet (artikel 11.9 Ow). Ook dit is alleen mogelijk als minder ingrijpende instrumenten geen oplossing bieden.
  • Noodzakelijke onteigening in verband met de leefbaarheid, gezondheid en veiligheid (artikel 11.10 Ow). Dit is ook in dit geval alleen mogelijk als minder ingrijpende instrumenten geen oplossing bieden.

 

Urgentie

De urgentie van een onteigening wordt besproken in artikel 11.11 van de Omgevingswet. Hierin is bepaald dat sprake is van urgentie als aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte moet zijn begonnen met het realiseren van de ontwikkeling, het gebruik of het beheer van de fysieke leefomgeving, waarvoor de onteigening nodig was.

Overheidsinstanties kunnen dit doen door het aandragen van concrete projectplannen en planningen.

Conclusie

Kort gezegd kan onteigening enkel plaatsvinden als het plan – waarvoor onteigening nodig is – wordt mogelijk gemaakt in één van de drie wettelijke instrumenten, noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling, gebruik en beheer van de fysieke leefomgeving en indien sprake is van urgentie.

Van een onteigeningsbelang is sprake als het plan wordt mogelijk gemaakt door een vastgesteld omgevingsplan of projectbesluit of door een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De onteigening is noodzakelijk als minnelijke verwerving van de onroerende zaak, vrij van zakelijke of persoonlijke rechten onmogelijk is gebleken en dit ook in de toekomst niet meer zal gebeuren. Daarnaast moet de huidige eigenaar van de onroerende zaak de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving niet zelf willen en kunnen realiseren.

Om te kunnen spreken van een urgente onteigening moet de onteigenaar binnen drie jaar na de onteigening zijn begonnen met de realisatie van het plan of project.

Al met al is de onteigening aan een flink aantal criteria gebonden, omdat eigendom één van de belangrijkste fundamentele rechten van de mens is. Overheidsinstanties mogen daarom niet willekeurig onroerende zaken onteigenen om hun plannen te kunnen realiseren, zonder dat onteigening noodzakelijk en urgent is en dit is mogelijk gemaakt in een wettelijk instrument.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Concurrentiebeding in 2025 inroepen? Dure grap voor werkgever

Concurrentiebeding euro 1536x1024

De laatste jaren zetten steeds meer werkgevers het concurrentiebeding als standaardbepaling in de arbeidsovereenkomst. Ook wij adviseren vaak om een concurrentie- en/of relatiebeding in de arbeidsovereenkomst op te nemen. Zeker bij sterk concurrerende markten, zoals op recruitment of sales posities.

Uit een onderzoek in 2021 is gebleken dat werkgevers ook een concurrentie- of relatiebeding opnemen als hiervoor geen noodzaak of aanleiding is. Dit zorgt ervoor dat werknemers beperkt worden in hun vrije arbeidskeuze. Naar aanleiding van dit onderzoek is een conceptwetsvoorstel ontstaan om het concurrentiebeding in te perken. En niet zo’n klein beetje ook. Deze beperkingen zullen behoorlijk zwaarwegend zijn.

De Ministerraad heeft ingestemd met het Wetsvoorstel Modernisering Concurrentiebeding en het voorstel staat sinds 4 maart 2024 open voor internetconsultatie. De regels die gelden voor het concurrentiebeding worden hierdoor aangescherpt.

Kort gezegd komt het erop neer dat een werkgever straks tot maximaal 1 jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst een beroep mag doen op het concurrentiebeding en dat een werkgever de werknemer hiervoor maandelijks 50% van het maandsalaris moet betalen voor élke maand dat hij het beding inroept. Wil je de werknemer aan de maximale termijn van 1 jaar houden? Dan moet je op de einddatum feitelijk zes maanden loon uitkeren! In de internetconsultatie worden nu al veel vragen gesteld over mogelijk misbruik door calculerende ex-werknemers.

De volgende wijzigingen staan nu in het wetsvoorstel:

  • een concurrentiebeding kan maximaal 1 jaar effect hebben na het einde van de arbeidsovereenkomst;
  • de werkgever moet de duur van het concurrentiebeding schriftelijk motiveren (wordt nu al gedaan);
  • de werkgever moet het geografisch bereik schriftelijk motiveren (wordt meestal ook al gedaan);
  • het zwaarwegende bedrijfs-of dienstbelang voor een concurrentiebeding moet schriftelijk worden gemotiveerd voor alle arbeidsovereenkomsten (dus niet alleen voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten, zoals nu het geval is) en als die motivering verandert (vanwege functiewijziging bijv.), dan moet dit worden aangepast waarop de werknemer vervolgens weer instemming moet geven;
  • een werkgever moet direct bij de opzegging of bij een einde van rechtswege uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst aangeven of een beroep wordt gedaan op het concurrentiebeding en voor hoe lang (er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld bij een ontslag op staande voet of ontbinding door de kantonrechter);
  • de werkgever moet de werknemer een vergoeding betalen wanneer een beroep op het concurrentiebeding wordt gedaan. De vergoeding bedraagt 50% van het laatstverdiende maandloon, voor elke maand dat het concurrentiebeding wordt ingeroepen. Er is geen maximum aan het loon. De betaling moet direct worden gedaan op de einddatum. Hier zijn ook uitzonderingen op bij een ontslag op staande voet of ontbinding. Betaal je niet tijdig? Dan mag je geen beroep meer doen op het concurrentiebeding, maar werkgever moet nog steeds betalen;
  • overtreedt de werknemer het ingeroepen concurrentiebeding? Dan geldt de vergoeding als een onverschuldigde betaling en moet de werknemer het terugstorten. Ook kan de werkgever een beroep doen op een boetebeding mits die is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst (of vaststellingsovereenkomst);
  • in een vaststellingsovereenkomst kun je van de vergoedingsplicht en inroepingsplicht afwijken.

 

Door het nieuwe wetsvoorstel is het concurrentiebeding slechts van toepassing na het einde van de arbeidsovereenkomst indien de werkgever zich schriftelijk en tijdig op het beding beroept en als de werkgever een vergoeding verschuldigd is. Wordt het beding een dag te laat ingeroepen of de vergoeding een dag te laat betaald? Dan is het jammer maar helaas. De werknemer kan dan bij de grootste concurrent in dienst treden en mag de vergoeding houden als deze al is betaald.

Concurrentiebedingen die rechtsgeldig zijn overeengekomen vóór inwerkingtreding van het wetsvoorstel, blijven rechtsgeldig. Een werkgever zal echter wel de vergoeding moeten betalen als de werknemer aan het beding wordt gehouden.

Het bovenstaande zou ook gaan gelden voor relatiebedingen die werknemers ervan weerhoudt te werken voor of bij relaties van de werkgevers, zoals klanten en opdrachtgevers.

Hoewel het voorstel eerst nog langs de Tweede- en Eerste Kamer moet, is de verwachting dat het wetsvoorstel op 1 januari 2025 al ingaat.

Wat ons betreft gaat dit wetsvoorstel te ver ten aanzien van de vergoedingsplicht en kunnen calculerende werknemers eenvoudig misbruik maken van deze regeling. Waarom?

Stel dat een werknemer op de laatste dag van de maand opzegt, dan moet de werkgever diezelfde dag nadenken of hij een beroep wil doen op het concurrentie- en/of relatiebeding. Werkgevers komen dan onder druk te staan en het is de vraag of dan de juiste beslissing wordt genomen. Zeker als werknemers (mogelijk onterecht) aangeven bij de concurrent in dienst te willen treden. Zo kunnen werknemers makkelijk een betaalde vakantie van (maximaal) zes maanden nemen en rustig op zoek gaan naar een baan bij een niet-concurrent. Het is de vraag of je je dan als werkgever kunt beroepen op bedrog en (een kostbare) procedure daarvoor wil starten om de vergoeding terug te vorderen. En moet de werkgever een dubbele vergoeding betalen als hij zich op zowel het concurrentiebeding als het relatiebeding wil beroepen?

Actie werkgever voor nu?

Nog even wachten totdat duidelijk is of het wetsvoorstel in deze huidige vorm wordt doorgevoerd en dan de huidige modellen arbeidsovereenkomsten en vaststellingsovereenkomsten aanpassen voor de concurrentie- en relatiebedingen. In uitzonderingsgevallen kunnen mogelijk ook anti-ronselbedingen onder deze strengere regels vallen.

Vragen? Neem contact op met één van onze Arbeidsrecht advocaten Dennis Oud, Elke Hofman of Tessa Sipkema.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Ambtshalve herziening en wijziging wateronttrekkingsvergunning

Water 1536x960

Onze collega Petra Lindhout schreef voor het vakblad Milieu & Recht (2024/23) de volgende annotatie op een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Download hier de publicatie.

Bij vragen kunt u contact opnemen met onze Omgevingsrecht specialisten.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Special onteigeningsrecht – blog I: Van Kroon naar onteigeningsbeschikking

Onteigening 1536x1025

Onroerende zaken kunnen in bepaalde gevallen worden onteigend. Onteigening is een serieuze zaak met veel impact. Immers door eigendom te onteigenen, wordt absoluut inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht. Er mag niet zomaar tot onteigening overgegaan worden en hoe en in welke mate tot onteigening kan worden overgegaan is dan ook wettelijk geregeld. Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingevoerd. Daarmee zijn de regels die gelden voor onteigening veranderd ten opzichte van voor 2024. Onteigening van onroerende zaken kan onder voorwaarden alleen plaatsvinden in het algemeen belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Onteigening vindt plaats op naam van een onteigenaar (art. 11.2 Ow). Onteigenaar kunnen zijn een gemeente, een waterschap, een provincie, de Staat en bepaalde andere rechtspersonen.

Onteigening vindt niet langer plaats via een ‘koninklijk besluit tot aanwijzing ter onteigening’ door de Kroon, maar via een zogenaamde ‘onteigeningsbeschikking’. In de onteigeningsbeschikking worden de te onteigenen onroerende zaken aangewezen (art. 11.3 Ow). De onteigeningsbeschikking wordt gegeven door een bestuursorgaan als genoemd in artikel 11.4 Omgevingswet. Dit zijn de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap, Provinciale Staten of de verantwoordelijk ministers.

Het algemeen bestuur van een waterschap is daarbij gebonden aan de in de wet geformuleerde waterschapstaken (art. 2.17 Ow) en mag uitsluitend een onteigeningsbeschikking geven met het oog op die taken.

Provinciale Staten mogen alleen een onteigeningsbeschikking geven als het belang een provinciaal belang betreft of wanneer dat doelmatig is. De minister (die het aangaat) kan alleen een onteigeningsbeschikking geven als er sprake is van een nationaal belang of als dat doelmatig is.

Om te kunnen onteigenen is het nodig dat er een onteigeningsbelang is. Uit de wet volgt dat onteigening van onroerende zaken in het algemeen belang (als bedoeld in artikel 14 van de Grondwet) kan plaatsvinden in het algemeen belang van ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving. Hierin is wel een verandering gekomen met ingang van 1 januari 2024. Voor die tijd regelde de toenmalige Onteigeningswet de mogelijkheid om bijvoorbeeld ook beperkte rechten van opstal, erfpacht, vruchtgebruik etc. afzonderlijk te kunnen onteigenen. Dat is nu niet meer apart mogelijk.

Een onteigeningsbeschikking mag alleen gegeven worden in het kader van het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving, als onteigening noodzakelijk is en als onteigening urgentis. Op deze criteria gaan wij in een later blog in.

Inhoudelijk moet de onteigeningsbeschikking in ieder geval de volgende elementen bevatten (art. 7.5 Omgevingsbesluit):

  • De kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaken zijn gelegen;
  • De kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen;
  • Als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte;
  • De namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie van het kadaster;
  • Een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is;
  • De naam van de onteigenaar.

 

De procedure om tot onteigening te komen loopt via het bestuursrecht en wel via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat het ontwerp van de onteigeningsbeschikking, samen met achterliggende stukken, ter inzage moet worden gelegd in de gemeente waar de te onteigenen onroerende zaak ligt. Van de terinzagelegging moet kennis gegeven worden in het voor het betreffende bestuursorgaan aangewezen publicatieblad. Vervolgens kunnen zienswijzen worden ingebracht. Anders dan in veel situaties waarin de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, is het niet mogelijk voor ‘eenieder’ om zienswijzen in te dienen. De wet bepaalt in artikel 16.23 lid 3 Omgevingswet dat dat alleen belanghebbenden kunnen zijn. Het ontwerp wordt ook direct aan die belanghebbenden toegestuurd.

Besluit het bestuursorgaan na weging van de zienswijzen uiteindelijk toch tot het vaststellen van de onteigeningsbeschikking, dan dient het de bestuursrechter te verzoeken om de beschikking te ‘bekrachtigen’ (artikel 16.93 Ow). De indieningstermijn van een dergelijk verzoekschrift bedraagt zes weken, beginnend met ingang van de dag na die waarop de onteigeningsbeschikking ter inzake is gelegd én hiervan kennis is gegeven.

De bestuursrechter beoordeelt het verzoek en neemt daarbij ook eventuele bedenkingen van belanghebbenden mee, alsook de reactie van het bestuursorgaan op die bedenkingen. Afhankelijk van de zaak volgt er vervolgens nog een schriftelijke ronde van re- en dupliek en wordt ook aan andere partijen de mogelijkheid geboden om hun visie op de zaak te geven (artikel 16.100 Ow). Daarna wordt volgt een zitting en vervolgens doet de rechtbank binnen zes maanden na ontvangst van de reactie (van het bestuursorgaan) op de bedenkingen uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging. Of, als er geen bedenkingen zijn ingediend binnen zes maanden na afloop van het verstrijken van de termijn voor het indienen van bedenkingen.

In dit blog gaan we verder niet in op de inhoudelijke toets die de rechtbank aanlegt bij onteigeningen. Maar als de rechtbank de onteigeningsbeschikking bekrachtigd, wordt de onteigeningsbeschikking en de uitspraak van de rechtbank weer ter inzage gelegd voor een periode van zes weken. Vervolgens hebben belanghebbenden en het bestuursorgaan de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dit blog gaan we niet verder in op de hoger beroepsprocedure zelf. Belangrijk is wel dat onteigening niet zonder schadeloosstelling mag plaatsvinden. Maar de schadeloosstelling loopt niet via het bestuursrecht. De schadeloosstelling vindt plaats via een aparte schadeloosstellingsprocedure. Die procedure gaat via het civiele recht (burgerlijke rechter). In blog III gaan we in op de procedure die de schadeloosstelling regelt.

Hulp en advies nodig bij onteigeningskwesties? Neem contact met ons op.

Blijf juridisch op de hoogte

Meld u aan voor onze nieuwsbrief