
Mag je als werkgever afscheid nemen van een medewerker die inhoudelijk goed is, maar in elk team de sfeer onder nul brengt? De kantonrechter Den Haag geeft in deze zaak een duidelijk én genuanceerd antwoord: ja, gebrek aan samenwerkingsvermogen kan disfunctioneren opleveren. Maar wie de herplaatsingsplicht vergeet, komt juridisch van een koude kermis thuis.
In deze zaak gaat het om een projectleider die sinds 2017 in dienst is. Over haar vakinhoudelijke kwaliteiten is iedereen het eens: ze werkt hard, levert resultaten en volgt zelfs op eigen initiatief een studie civiele techniek. Het probleem zit in de samenwerking. Al vanaf 2018 duikt in gespreksverslagen steeds hetzelfde thema op: het wringt in de omgang met collega’s, in teams en met leidinggevenden. Niet de inhoud, maar de “soft skills” vormen het struikelblok. Rijnland laat het niet bij één gesprek. De werknemer wordt in verschillende teams geplaatst, krijgt andere leidinggevenden, er is ondersteuning, coaching én mediation. Toch blijft de samenwerking stroef en wordt zij uiteindelijk op non-actief gesteld.
Rijnland vraagt vervolgens om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een verstoorde arbeidsverhouding en subsidiair wegens disfunctioneren. De kantonrechter maakt korte metten met de g-grond: er is wel spanning, maar niet zo’n verstoorde relatie dat alleen daarom de stekker eruit moet. Interessanter is wat de rechter zegt over het disfunctioneren. Samenwerken, zo benadrukt hij, is in een functie als projectleider geen aardige bonus, maar een onlosmakelijk onderdeel van de functie. Een werknemer hoeft dus niet alleen inhoudelijk goed te zijn; hij of zij moet ook in staat zijn om in een team te functioneren. Omdat het gebrek aan samenwerkingsvermogen al jarenlang consequent is benoemd, ondersteund en besproken, komt de kantonrechter tot de conclusie dat de d-grond wél voldragen is.
En dan zou je als werkgever denken: zaak rond. Maar daar komt de WWZ om de hoek kijken. Artikel 7:669 BW eist namelijk méér dan alleen een redelijke grond: de werkgever moet óók laten zien dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Dat is geen formaliteit, maar een zelfstandige toets. In deze zaak wordt precies dat de achilleshiel van Rijnland.
De werknemer wil namelijk helemaal niet per se weg; zij zet in op baanbehoud en doet via haar gemachtigde een concreet voorstel. Ze is bereid deels thuis en deels op een andere afdeling te werken, wil juist níet geïsoleerd worden van collega’s en staat open voor begeleiding door een externe coach om de samenwerkingsproblemen aan te pakken. Met andere woorden: geen “ik heb nergens schuld aan”, maar: “ik zie dat er wat speelt en ik wil eraan werken, als ik maar kan blijven.”
De reactie van de werkgever is glashelder maar funest: beëindiging van het dienstverband is voor haar essentieel, en als werknemer op behoud van de baan inzet, is er eigenlijk geen basis voor een regeling. De kantonrechter leest hierin dat Rijnland de knop definitief op exit heeft gezet en niet meer serieus naar oplossingen binnen de organisatie kijkt. De overplaatsingen waren niet gericht op het vinden van een functie waarin het probleem zich niet meer zou voordoen en werden overschaduwd door de weigering om het concrete voorstel van de medewerker te onderzoeken. Dat botst met de bedoeling van de wetgever: van werkgevers wordt verwacht dat zij actief onderzoeken of baanbehoud – al dan niet in aangepaste vorm – mogelijk is. Dat werknemer juist wíl blijven, mag haar dan ook niet worden tegengeworpen, dat is precies wat de WWZ wil beschermen.
De uitkomst is pittig voor de werkgever. De kantonrechter erkent dat er sprake is van disfunctioneren, maar vindt dat herplaatsing in aangepaste vorm wél in de rede ligt en dat Rijnland zich daarin onvoldoende heeft ingespannen. Het ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen. Sterker nog: Rijnland wordt veroordeeld om de werknemer vanaf 1 september 2025 weer tot het werk toe te laten, in grote lijnen conform haar eigen voorstel, op straffe van een dwangsom van Euro 500,00 per dag deel.
De boodschap is duidelijk: wie alleen nog op beëindiging inzet, loopt het risico van wedertewerkstelling met een dwangsom.
Mocht uw vragen hebben, neem dan contact op met Tessa Sipkema, Elke Hofman of met Dennis Oud.
U leest de uitspraak hier.