College beslist ten onrechte op bezwaar tegen wijzigingsvergunning

In de meeste gevallen is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dat bepaalt op vergunningaanvragen over bouwen, maar er zijn echter ook gevallen waarin zij niet bevoegd zijn om te beslissen.
Zo ook in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026. In de uitspraak ging het om een woninguitbreiding in Middelburg. Voor die uitbreiding had het college in 2022 een omgevingsvergunning verleend. Tegen die vergunning werd zonder succes bezwaar gemaakt en de bezwaarmaker ging vervolgens in beroep bij de rechtbank. Uiteindelijk kwam de zaak bij de Raad van State terecht. Terwijl die procedure nog liep, vroeg de eigenaar van de woning een vergunning aan voor een beperkte wijziging van het bouwplan, omdat bleek dat een onderdeel van de woning in afwijking van de vergunning was gebouwd. Die wijzigingsvergunning werd in 2024 verleend. Tegen de wijzigingsvergunning werd bezwaar gemaakt. Dat bezwaar werd door het college op de gebruikelijke wijze behandeld en uiteindelijk ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelde de beslissing op bezwaar (ook) inhoudelijk en oordeelde vervolgens dat de beslissing op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd.
Vervolgens stapte degene die bezwaar had gemaakt tegen de wijzigingsvergunning naar de Raad van State. Het beroep tegen de oorspronkelijke vergunning als tegen de wijzigingsvergunning werden door de Raad van State tegelijkertijd behandeld ter zitting.
Over de wijzigingsvergunning oordeelde de Raad van State dat het college helemaal geen beslissing had mogen nemen op het bezwaar. De wijziging van het bouwplan (waarop de wijzigingsvergunning zag) was van ondergeschikte aard. Omdat tegen de oorspronkelijke vergunning nog een hogerberoepsprocedure liep, had het college het bezwaar op grond van artikel 6:109 Awb moeten doorsturen naar de Raad van State om in de lopende procedure te worden beoordeeld. Doordat het college toch zelf inhoudelijk op bezwaar had beslist, handelde het onbevoegd. De Raad van State vernietigde daarom het besluit op bezwaar.
Ook over de toepasselijke wetgeving deed de Raad van State een belangrijke uitspraak. De oorspronkelijke vergunning uit 2022 viel logischerwijs nog onder de oude wetgeving. De wijzigingsvergunning werd weliswaar in 2024 en daarom ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet verleend, maar omdat de vergunning wordt gezien als onderdeel/wijziging van de oorspronkelijke vergunning, moet ook de procedure tegen de wijzigingsvergunning onder de oude wetgeving worden behandeld.
In een vergunningprocedure is het dus belangrijk om het verschil te weten tussen een ingrijpende en een ondergeschikte wijziging en altijd te controleren welke wetgeving van toepassing is.
Heeft u vragen over een (wijzigings)vergunningprocedure? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met mij.
U leest de uitspraak hier.




