Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Of e-mail en ontvang binnen 24 uur een antwoord

Header mvo 1 scaled

Nieuws

De haij & van der wende advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Een onherroepelijke uitspraak betekent niet dat de feiten ook onherroepelijk vaststaan

Onherroepelijk

De rechtbank Gelderland heeft op 26 juni 2026 een interesse uitspraak gedaan over de status van feiten in een onherroepelijke uitspraak.

Wat was er aan de hand? Een echtpaar had aan hun woning in Arnhem een uitbouw gerealiseerd. Het ging om een serre, een overkapping, een verlenging van de garage en een afdak. De uitbouw was al sinds 2008 aanwezig. Later bleek echter dat een deel ervan lag op grond met de bestemming ‘Groen’, terwijl dat niet toegestaan was volgens het bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning was nooit aangevraagd.

In februari 2023 diende een buurtbewoner een handhavingsverzoek in, waarna een last onder dwangsom werd opgelegd. Er volgde een bezwaar- en beroepsprocedure. In haar uitspraak van eind 2025 verklaarde de rechtbank het beroep van het echtpaar gegrond, omdat de berekening van de gemeente over de oppervlakte van de uitbouw niet klopte. Tegen deze uitspraak van de rechtbank was de gemeente niet in hoger beroep gegaan. Wel werd op maart 2026 een nieuw besluit genomen, waarin werd vastgehouden aan de last onder dwangsom. Het echtpaar ging vervolgens (opnieuw) in beroep, onder meer omdat de gemeente in het nieuwe besluit plots uitging van een overschrijding van 1,31 meter in de groenstrook.

In de uitspraak uit 2025 had de rechtbank namelijk overwogen dat ‘tussen partijen niet in geschil was’ dat de uitbouw 30 centimeter in de groenstrook lag. Omdat de gemeente niet tegen de uitspraak in hoger beroep was gegaan, meende het echtpaar dat de gemeente was gebonden aan die 30 centimeter en daarom in het nieuwe besluit van maart 2026 ten onrechte uitgegaan van een overschrijding van 1,31 meter.

De rechtbank ging hier niet in mee en oordeelde als volgt. Het klopt dat een bestuursorgaan die niet in (hoger) beroep gaat tegen een uitspraak, gebonden is aan de rechtsoordelen in die uitspraak. Dat betekent dus dat het bestuursorgaan de uitspraak accepteert en meegaat in de beoordeling van de rechtbank en zich daar ook aan moet houden.

Anders dan het echtpaar stelde, geldt dat echter niet voor de ‘blote weergave van feiten’. Dat betekent dus dat de weergave van de feiten door de rechtbank, waarbij werd gesteld dat ‘tussen partijen niet in geschil was’ dat de uitbouw 30 centimeter in de groenstrook lag, de gemeente niet kon binden. De gemeente mocht daarom in het besluit uitgaan van de diepte van 1,31 meter in de groenzone.

Overigens zorgde dit er niet voor dat het beroep van het echtpaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde namelijk dat de gemeente onvoldoende heeft onderbouwd waarom handhaving hier evenredig is. De overschrijding van 1,31 meter was volgens de rechtbank dan wel een meer dan geringe overschrijding, maar er was geen sprake van ernstige aantasting van de groenzone omdat slechts 1,31 meter van de 15 meter diepe groenstrook werd bezet door de uitbouw. De gemeente had daarom onvoldoende aangetoond welke belangen werden gediend met de handhaving, terwijl wel duidelijk was dat het echtpaar grote belangen had bij het voorkomen van een kostbare sloop van de uitbouw.

Deze uitspraak benadrukt dus twee belangrijke rechtsregels. Ten eerste maakt de rechter duidelijk dat een onherroepelijke uitspraak niet maakt dat de feiten ook onherroepelijk en onaantastbaar zijn geworden. Ten tweede wordt door de rechter nogmaals benadrukt dat handhaving te allen tijde evenredig moet zijn.

Heeft u vragen over handhavingsprocedures? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met mij.

U leest de uitspraak hier.

 

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Terugblik op een prachtige jubileum golfdag! ⛳️

Bord op de green DO TS en MC

Ter gelegenheid van het 30-jarig jubileum van ons kantoor, organiseerden wij op dinsdag 7 juli jl. een compleet verzorgde golfdag voor onze klanten en wat hebben wij een topdag gehad!

Alles viel op z'n plek: zon, gezellige deelnemers, leuke flights en een perfecte organisatie vanuit Golfclub Capelle. Daarnaast was alles tot in de puntjes verzorgd door Restaurant Mulligan, met heerlijke hapjes, drankjes en een uitgebreid buffet. Het was mooi om te zien hoe iedereen met elkaar in gesprek raakte, sportief de baan op ging en vooral veel plezier had.

Wij kijken met trots en dankbaarheid terug op een meer dan geslaagde dag!

Iedereen die erbij was: bedankt voor jullie aanwezigheid en enthousiasme. Jullie hebben deze jubileumdag onvergetelijk gemaakt!

Op naar nog vele mooie jaren, waardevolle samenwerkingen en mooie ontmoetingen!🎉

Team De Haij & Van der Wende Advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Eerder verleende omgevingsvergunning kan niet worden gebruikt voor een latere uitbreiding

Omgevingsvergunning paarden

Op 24 juni 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het gebruiken van een eerder verleende omgevingsvergunning voor een latere illegale uitbreiding.

In deze zaak was het volgende aan de hand. In 2022 verleende het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen aan eiser een omgevingsvergunning voor de bouw van een schuur die mocht worden gebruikt als paardenkraamhotel. De schuur mocht 16 meter lang worden. Bij een controle in 2024 bleek echter dat de schuur geen 16 meter lang was, maar 20 meter. Er was dus niet gebouwd conform de verleende omgevingsvergunning. Eiser diende een nieuwe vergunningaanvraag in om de langere schuur alsnog te legaliseren, maar het college weigerde de omgevingsvergunning te verlenen.

Het bezwaar en later ook het beroep van eiser bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. Vervolgens moest de Afdeling beoordelen of het college de omgevingsvergunning voor de uitbreiding terecht had geweigerd.

Eiser was van mening dat het college in 2022 uitdrukkelijk had ingestemd met het gebruik van het perceel als paardenkraamhotel. De uitbreiding van de schuur van 16 tot 20 meter zou slechts een voortzetting zijn van dat al toegestane gebruik en daarmee zijn toegestaan op grond van de omgevingsvergunning uit 2022.

De Afdeling was het daarmee oneens. Zij oordeelde dat de omgevingsvergunning uit 2022 alleen betrekking had op het destijds aangevraagde bouwplan: een schuur van 16 meter die zou worden gebruikt als paardenkraamhotel. De omgevingsvergunning stond een afwijking van het bestemmingsplan toe, maar wijzigde  het bestemmingsplan niet. Daarmee werd dus ook geen mogelijkheid gecreëerd om op grond van die vergunning toekomstige uitbreidingen – in strijd met het bestemmingsplan – uit te voeren. Dat was in 2022 immers geen onderdeel van het plan waarvoor de vergunning was verleend.

Hiermee is door de Afdeling bevestigd dat de vaste rechtspraak onder de Wabo hieromtrent óók geldt onder de Omgevingswet. Ook onder de Omgevingswet geldt dus dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) alleen toestemming geeft voor het uitvoeren van de aangevraagde activiteit en daarmee geen toekomstige (illegale) uitbreidingen kunnen worden gerealiseerd.

Heeft u vragen over een uitbreiding van een bouwwerk of van het gebruik op uw perceel en welke vergunningen daar voor nodig zijn? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met mij.

U leest de uitspraak hier. 

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Nieuwe ontwikkelingen rond schijnzelfstandigheid: praktijk en tarief wegen steeds zwaarder

Huurcontract scaled

Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat opnieuw zien dat werkgevers alert moeten zijn bij de inzet van zelfstandigen, interim professionals en opdrachtnemers via een eigen B.V.

In deze zaak werkte een registeraccountant via zijn vennootschap voor een accountantskantoor. Partijen hadden bewust gekozen voor een overeenkomst van opdracht. Er werd gefactureerd met btw en in de overeenkomst stond uitdrukkelijk dat geen arbeidsovereenkomst was beoogd. Ook was opgenomen dat de werker zich daar later niet alsnog op zou mogen beroepen.

Toch oordeelde het hof dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Het hof keek daarbij niet naar wat partijen de overeenkomst noemden, maar naar de overeengekomen rechten en plichten en de feitelijke invulling daarvan, in onderling verband bezien. De accountant verrichtte kernwerkzaamheden voor de organisatie, werkte fulltime, diende de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, had beperkte ruimte om voor andere opdrachtgevers te werken en ontving een vaste maandelijkse vergoeding. Daarnaast waren afspraken gemaakt over onder meer vakantiedagen en de plaats waar de werkzaamheden werden verricht.

Die omstandigheden wogen zwaar. Dat partijen zelf geen arbeidsovereenkomst wilden sluiten, maakte volgens het hof niet doorslaggevend verschil. De kwalificatie van een arbeidsrelatie wordt immers bepaald aan de hand van de overeengekomen rechten en verplichtingen en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven.

Opvallend is dat het hof ook meeweegt dat de werker zelf bewust had aangestuurd op de constructie via zijn B.V. en daarvan fiscaal voordeel had. Het hof noemt zijn latere beroep op werknemersbescherming weinig sympathiek en opportunistisch. Toch stond dat niet in de weg aan de conclusie dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Omdat de samenwerking als arbeidsovereenkomst werd aangemerkt, had de werkgever de overeenkomst niet zonder instemming van de werknemer of toestemming van het UWV mogen beëindigen. De werkgever werd daarom veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Wel bracht het hof nuance aan bij de financiële gevolgen. De overeengekomen opdrachtvergoeding werd niet zonder meer gelijkgesteld aan het arbeidsloon. Volgens het hof bevatte de fee ook elementen die samenhingen met de gekozen opdrachtconstructie, zoals flexibiliteit en het ontbreken van reguliere ontslagbescherming. Het hof stelde daarom een lager bruto maandloon vast voor de berekening van de vergoedingen.

De uitspraak past in een bredere ontwikkeling. Niet alleen de rechtspraak, maar ook de wetgever zet verder aan tot herbeoordeling van zzp-relaties.

De Eerste Kamer heeft op 16 juni 2026 ingestemd met de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief. De introductie van het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan 38 euro per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) makkelijker om te stellen dat zij een arbeidsovereenkomst hebben.

Doet een zzp’er die onder deze grens werkt een beroep op dat rechtsvermoeden, dan verschuift de bewijslast. Het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan kan de zzp’er aanspraak maken op werknemersbescherming, zoals loondoorbetaling en ontslagbescherming.

Belangrijk is dat er geen overgangsrecht is aangekondigd. Het rechtsvermoeden zal dus vanaf de inwerkingtreding ook relevant zijn voor bestaande overeenkomsten. Organisaties die met lager betaalde zzp’ers werken, doen er daarom verstandig aan niet te wachten tot de wet formeel in werking is getreden.

De lijn is duidelijk: een goed contract blijft belangrijk, maar is niet genoeg. Kijk naar de praktijk: welke werkzaamheden worden verricht, hoe zelfstandig is de opdrachtnemer echt, hoe structureel is de inzet, hoe wordt betaald en welke instructies of organisatorische inbedding zijn er?

Met het nieuwe rechtsvermoeden komt daar voor laagbetaalde zzp’ers een extra risico bij. Niet alleen de inhoud van de overeenkomst en de feitelijke uitvoering tellen, maar ook het uurtarief kan straks het startpunt vormen voor een discussie over werknemerschap.

Heeft u vragen? Neem dan contact op met Dennis Oud, Tessa Sipkema, Noa Bilogrevic of Elke Hofman-Bijvank.

U leest de uitspraak hier. 

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Geen nadeelcompensatie na sluiting horecaonderneming door burgemeester

Sluiting horeca

De exploitant van een horecaonderneming in Amsterdam heeft geen recht op nadeelcompensatie voor de schade die zij heeft geleden tijdens de tijdelijke sluiting van haar bedrijfspand door de burgemeester. Dat heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld in haar uitspraak van 10 juni 2026.

Het pand waarin de horecaonderneming is gevestigd werd door de burgemeester tijdelijk gesloten, nadat in augustus 2022 een explosief afging voor de deur van het pand. De burgemeester sloot het pand wegens dreiging voor de openbare orde en baseerde het besluit tevens op eerdere incidenten rondom de horecaonderneming en soortgelijke ondernemingen.

De sluiting werd een aantal maanden later op verzoek van de exploitant van de horecaonderneming opgeheven, maar die had ondertussen al aanzienlijke schade geleden door de sluiting. De schade wilde de exploitant verhalen op de burgemeester. Daarom deed zij een verzoek om nadeelcompensatie. Dat verzoek werd door de burgemeester afgewezen, omdat de schade zou vallen onder het normale ondernemersrisico van de exploitant. Laatstgenoemde was het daarmee niet eens en ging in beroep bij de rechtbank Amsterdam. De exploitant was van mening dat de sluiting niet voorzienbaar was en daarom niet onder het normale ondernemersrisico kon vallen. Daarnaast kon haar geen verwijt worden gemaakt van de explosie, omdat volgens haar geen verband kon worden gelegd tussen de explosie en de onderneming.

De rechtbank volgde de standpunten van de exploitant niet. Een tijdelijke sluiting van een (bedrijfspand van) een horecaonderneming wegens openbare ordeverstoringen behoort volgens de rechtbank namelijk tot het normale ondernemersrisico. Daarbij was onder meer van belang dat de horecaonderneming in een omgeving met woningen en een hotel is gesitueerd en de explosie daarom een ernstige verstoring van de openbare orde veroorzaakte. Dat de burgemeester daarna tot sluiting van het pand overging was een normale en te verwachten reactie, waardoor de maatregel voorzienbaar was.

Dat de explosie de horecaonderneming niet te verwijten was, maakte dat niet anders. Ook wanneer een ondernemer zelf niets verkeerd heeft gedaan, kan schade toch voor rekening van de ondernemer blijven, als die schade voortvloeit uit risico’s die samenhangen met de bedrijfsvoering. Het exploiteren van de horecaonderneming, zeker op een plek waar ook woningen aanwezig zijn, brengt bepaalde veiligheids- en openbare orde risico’s met zich mee. 

Uit deze uitspraak van de rechtbank Amsterdam volgt dat schade als gevolg van een rechtmatige sluiting van een (horeca)onderneming wegens een openbare ordeverstoring in beginsel niet voor nadeelcompensatie in aanmerking komt, wanneer die schade onder het normale ondernemersrisico valt. Daarbij is vooral de voorzienbaarheid van de sluiting van belang. Als sluiting een normale en te verwachten reactie is, zal de daaruit voortvloeiende schade normaliter voor rekening van de horecaonderneming blijven.

U leest de uitspraak hier. 

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

College beslist ten onrechte op bezwaar tegen wijzigingsvergunning

Omgevingsvergunning legalisatie

In de meeste gevallen is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag dat bepaalt op vergunningaanvragen over bouwen, maar er zijn echter ook gevallen waarin zij niet bevoegd zijn om te beslissen.

Zo ook in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026. In de uitspraak ging het om een woninguitbreiding in Middelburg. Voor die uitbreiding had het college in 2022 een omgevingsvergunning verleend. Tegen die vergunning werd zonder succes bezwaar gemaakt en de bezwaarmaker ging vervolgens in beroep bij de rechtbank. Uiteindelijk kwam de zaak bij de Raad van State terecht. Terwijl die procedure nog liep, vroeg de eigenaar van de woning een vergunning aan voor een beperkte wijziging van het bouwplan, omdat bleek dat een onderdeel van de woning in afwijking van de vergunning was gebouwd. Die wijzigingsvergunning werd in 2024 verleend. Tegen de wijzigingsvergunning werd bezwaar gemaakt. Dat bezwaar werd door het college op de gebruikelijke wijze behandeld en uiteindelijk ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelde de beslissing op bezwaar (ook) inhoudelijk en oordeelde vervolgens dat de beslissing op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd.

Vervolgens stapte degene die bezwaar had gemaakt tegen de wijzigingsvergunning naar de Raad van State. Het beroep tegen de oorspronkelijke vergunning als tegen de wijzigingsvergunning werden door de Raad van State tegelijkertijd behandeld ter zitting.

Over de wijzigingsvergunning oordeelde de Raad van State dat het college helemaal geen beslissing had mogen nemen op het bezwaar. De wijziging van het bouwplan (waarop de wijzigingsvergunning zag) was van ondergeschikte aard. Omdat tegen de oorspronkelijke vergunning nog een hogerberoepsprocedure liep, had het college het bezwaar op grond van artikel 6:109 Awb moeten doorsturen naar de Raad van State om in de lopende procedure te worden beoordeeld. Doordat het college toch zelf inhoudelijk op bezwaar had beslist, handelde het onbevoegd. De Raad van State vernietigde daarom het besluit op bezwaar.

Ook over de toepasselijke wetgeving deed de Raad van State een belangrijke uitspraak. De oorspronkelijke vergunning uit 2022 viel logischerwijs nog onder de oude wetgeving. De wijzigingsvergunning werd weliswaar in 2024 en daarom ná de inwerkingtreding van de Omgevingswet verleend, maar omdat de vergunning wordt gezien als onderdeel/wijziging van de oorspronkelijke vergunning, moet ook de procedure tegen de wijzigingsvergunning onder de oude wetgeving worden behandeld.

In een vergunningprocedure is het dus belangrijk om het verschil te weten tussen een ingrijpende en een ondergeschikte wijziging en altijd te controleren welke wetgeving van toepassing is.

Heeft u vragen over een (wijzigings)vergunningprocedure? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met mij. 

U leest de uitspraak hier. 

Blijf juridisch op de hoogte

Meld u aan voor onze nieuwsbrief