Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Of e-mail en ontvang binnen 24 uur een antwoord

Header mvo 1 scaled

Nieuws

De haij & van der wende advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Nieuwe uitspraak over padelbanen: onterecht gebruik van de uitgebreide voorbereidingsprocedure?

Padelbaan binnen

Let op: op deze uitspraak is het oude recht, dat tot 1 januari 2024 gold, van toepassing!

Padelbanen zijn tegenwoordig een hot topic in de rechtspraak. Echter, waar het normaal gesproken gaat om geluidsoverlast, ziet de uitspraak die in deze blog zal worden besproken op iets heel anders.

In deze zaak moest de Afdeling, kort gezegd, beoordelen of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren terecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure had gebruikt voor de (her)beoordeling van de vergunningaanvraag voor het realiseren van vier padelbanen en het plaatsen van een afscheiding.

De aanvrager had een vergunningaanvraag ingediend om vier padelbanen en een afscheiding te realiseren op haar perceel. Deze vergunningaanvraag was in eerste instantie verleend middels de reguliere voorbereidingsprocedure. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, waarna het college de vergunning heeft herroepen en heeft besloten alsnog de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen. Tegen dit besluit ging de aanvrager in beroep. De rechtbank oordeelde dat onterecht gebruik was gemaakt van de uitgebreide procedure, omdat wel sprake was van strijd met het bestemmingsplan, maar die strijdigheid enkel zag de glazen wanden om de padelbanen, waardoor sprake was van een kruimelgeval en de reguliere procedure had moeten worden gevolgd.

De Afdeling moest vervolgens beoordelen of het oordeel van de rechtbank correct was. Zij bevestigde dat de hoogte van de glazen wanden in strijd was met het bestemmingsplan en dat daarom een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan was vereist. Anders dan de rechtbank oordeelde de Afdeling echter dat de verharding en de omheining, inclusief glazen wanden, functioneel met elkaar zijn verbonden, waardoor de kruimelgevallenregeling niet van toepassing was en het college terecht de uitgebreide voorbereidingsprocedure heeft gevolgd.

Uit deze uitspraak blijkt dat wel degelijk van belang is welke voorbereidingsprocedure het bestuursorgaan gebruikt om een vergunningaanvraag te beoordelen. Wordt de verkeerde procedure gevolgd, dan kan dat betekenen dat de vergunningaanvraag opnieuw moet worden beoordeeld.

U leest de uitspraak van de Raad van State hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Helpling en Hoge Raad: wanneer schoonmaken ineens uitzendwerk wordt 🧼

Helpling

Wat begon als een handige app om een schoonmaker te vinden, eindigde voor Helpling in een juridische schoonmaakbeurt. De Hoge Raad oordeelde op 11 april 2025 dat de schoonmakers die via het platform werkten geen zelfstandigen zijn, maar uitzendkrachten. En dat heeft gevolgen, ook voor werkgevers buiten de schoonmaakbranche.

Helpling werkte als volgt: huishoudens plaatsten via het platform een schoonmaakopdracht en schoonmakers konden daarop reageren. Ze bepaalden grotendeels hun eigen agenda en tarief (binnen door Helpling gestelde grenzen), maar moesten wel werken via de regels van het platform, gebruikmaken van de betaalmethode die Helpling voorschreef, en kregen beoordelingen van hun klanten. Het leek allemaal heel flexibel, maar onder de motorkap bepaalde Helpling verrassend veel.

De Hoge Raad keek door die flexibiliteit heen en bevestigde het oordeel van het hof: dit is een uitzendconstructie in de zin van artikel 7:690 BW. En opvallend genoeg: het feit dat de schoonmakers niet werkten in een bedrijf of organisatie, maar bij mensen thuis, maakt daarbij niet uit. Ook een particulier huishouden kan inlener zijn. Het gaat erom dat iemand onder toezicht en leiding van een ander tijdelijk arbeid verricht en dat was hier het geval.

Wat kunnen werkgevers hiervan leren? Ten eerste dat de juridische kwalificatie van een arbeidsrelatie niet afhangt van labels of mooie voorwaarden, maar van hoe het er in de praktijk aan toe gaat. Ten tweede dat ook een platform dat zegt slechts een bemiddelaar te zijn, toch werkgever kan blijken te zijn als het de arbeidsverhouding feitelijk vormgeeft en controleert.

Voor werkgevers die werken met freelancers of platformen is dit dus opnieuw een wake-up call: zorg dat de juridische en feitelijke werkelijkheid op elkaar zijn afgestemd. De risico’s van schijnzelfstandigheid en verkeerd gekwalificeerde arbeidsrelaties liggen op de loer.

Heeft u vragen over de inzet van freelancers of werkt u met een platformmodel? Neem dan gerust contact op met onze arbeidsrechtspecialisten.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Evenredigheidstoets: had het college moeten afzien van handhaving tegen (illegale) werkzaamheden aan vergunde schuren?

Handhaving beginselplicht

In een eerdere blog ben ik reeds uitgebreid ingegaan op de verhouding tussen de beginselplicht tot handhaving en het evenredigheidsbeginsel. Voor de uitleg van de verhouding tussen deze twee begrippen verwijs ik u naar die blog.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 24 april 2025, die in deze blog wordt besproken, kwam deze verhouding opnieuw ter sprake. Het onderwerp van deze uitspraak was een aan de eiser in deze zaak opgelegde last onder dwangsom wegens het verbouwen van twee stallen zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. De last hield in dat eiser de stallen moest terugbrengen naar de vergunde situatie. Eiser is in bezwaar en later in beroep gegaan tegen dit besluit van het college en de beslissing op bezwaar, onder meer omdat hij van mening is dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De stallen die worden verbouwd zijn namelijk in 1973 legaal opgericht en mogen dus ter plaatse blijven staan. Met handhavend optreden tegen de bouwwerkzaamheden aan de stallen, het gebruik van de stallen en/of de zonnepanelen die op de daken zijn geplaatst, kan dus niet worden bereikt dat verstening in het buitengebied wordt teruggedrongen. Het college meent daarentegen dat de handhaving vooral ziet op het herstel in de rechtmatige toestand en de naleving van de planologische regels, en dat daarnaast ook sprake is van een handhavingsverzoek van een derde-partij.

De voorzieningenrechter verwijst naar de Harderwijk-uitspraak en oordeelt als volgt. Hoewel de voorzieningenrechter het college kan volgen wat betreft het naleven van de planologische regels, heeft hij wel vraagtekens bij de vraag of handhavend optreden in dit geval evenredig is, met name bij de vraag naar het doel van de handhaving en de noodzaak daarvan. De voorzieningenrechter oordeelt vervolgens dat de belangen van de derde-partij niet gediend zijn met het terugbrengen van de stallen in de rechtmatige, vergunde maar ook vervallen staat, omdat de derde-partij enkel wil dat de stallen in hun geheel worden verwijderd. Over het algemeen belang oordeelt de voorzieningenrechter dat de handhaving zojuist heeft plaatsgevonden, die algemene belangen niet dient. Conclusie is derhalve dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden in dit geval evenredig is.

Heeft u vragen over het evenredigheidsbeginsel en de beginselplicht tot handhaving? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.

U leest de uitspraak hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Van fysieke producten naar digitale aansprakelijkheid: de impact van Richtlijn (EU) 2024/2853 op producenten en consumenten.

Productaansprakelijkheid

Op 8 december 2024 is de nieuwe Richtlijn Productaansprakelijkheid (EU) 2024/2853 in werking getreden. De oude richtlijn was sinds 1985 van kracht in de Europese Unie in het geval dat een gebrekkig product leidt tot schade. Deze Richtlijn was een goede basis, maar met al de (technische) ontwikkelingen in de afgelopen 40 jaar, zoals AI,  was de Richtlijn toch echt aan modernisering toe. In deze blog wordt ingegaan op enkele wijzigingen en wat dit voor producenten en consumenten kan betekenen.

Begrip product

Zoals aangegeven dateert de oude richtlijn uit 1985. Destijds was het begrip ‘product’ nog vrij overzichtelijk; het ging simpelweg om een fysiek, tastbaar object. Inmiddels is de technologie echter zó ver gevorderd dat die aanname achterhaald is. In de nieuwe richtlijn is het begrip ‘product’ dan ook aanzienlijk verruimd en uitgebreid naar onder meer digitale varianten. Denk bijvoorbeeld aan software, AI-systemen en digitale diensten.

Een product kan bijvoorbeeld functioneren dankzij een digitaal component — zoals bij een slimme thermostaat of een robotstofzuiger. De software die deze werking mogelijk maakt, wordt dankzij de nieuwe richtlijn óók als product beschouwd en de ontwikkelaar ervan wordt daarmee als producent aangemerkt. Ook software die zelfstandig functioneert — zoals autonome AI-toepassingen — valt tevens onder het bereik van de richtlijn.

Kortom: het zijn allang niet meer alleen de klassieke fabrikanten van tastbare goederen die risico lopen op productaansprakelijkheid. Ook softwareontwikkelaars, digitale dienstverleners en platformaanbieders kunnen nu onder deze aansprakelijkheid vallen.

Begrip schade

Nu het begrip ‘product’ is verruimd, verandert ook het beeld van wat onder ‘schade’ valt binnen het kader van productaansprakelijkheid. Waar voorheen uitsluitend sprake was van lichamelijk letsel of materiële schade, is dit onder de nieuwe richtlijn aanzienlijk uitgebreid. Zo wordt nu ook immateriële schade erkend — mits deze medisch is vastgesteld. Denk hierbij aan aantoonbare psychische schade die het gevolg is van een gebrekkig product.

Daarnaast is ook schade door verlies of beschadiging van digitale gegevens als nieuwe categorie toegevoegd. Een concreet voorbeeld hiervan is het wissen van een volledige dataset door een defect in software of AI-systemen. Zulke digitale schade was tot nu toe vaak lastig juridisch te kwalificeren, maar krijgt met deze richtlijn een duidelijke plek binnen het aansprakelijkheidsregime.

Ondergrens

Onder de oude richtlijn gold een belangrijke drempel: alleen schade boven de € 500 kwam in aanmerking voor vergoeding. Dit betekende dat consumenten met relatief kleine schadeposten — denk aan een kapotte bril of beschadigde laptop — vaak met lege handen achterbleven. Die grens is met de nieuwe richtlijn volledig afgeschaft.

Deze wijziging verlaagt de drempel aanzienlijk om een claim in te dienen. Consumenten kunnen nu ook bij kleinere schadebedragen aanspraak maken op vergoeding. Daarmee wordt het aansprakelijkheidsrecht toegankelijker en beter afgestemd op de werkelijkheid waarin zelfs beperkte digitale schade impactvol kan zijn.

Daarnaast is het niet langer vereist dat het product uitsluitend voor privégebruik dient. Ook wanneer een product gedeeltelijk zakelijk wordt ingezet, kan een benadeelde partij een beroep doen op de richtlijn. Dit is bijvoorbeeld relevant voor zelfstandig ondernemers of kleine bedrijven die technologie of apparatuur gebruiken in hun dagelijkse bedrijfsvoering.

Bewijslastverlichting voor slachtoffers

In veel productaansprakelijkheidszaken lopen consumenten tegen een bekend probleem aan: het leveren van bewijs. Het aantonen dat een product gebrekkig is én dat juist dat gebrek de schade heeft veroorzaakt, blijkt in de praktijk vaak een flinke uitdaging. Zeker bij complexe of digitale producten, waar de technische kennis bij producenten ligt, is de informatie-achterstand bij consumenten groot.

De nieuwe richtlijn komt consumenten hierin tegemoet met de introductie van de term “wettelijke vermoedens”. In bepaalde gevallen mag worden aangenomen dat een product gebrekkig was en dat er een causaal verband bestaat tussen het gebrek en de geleden schade. Dit verlicht de bewijslast aanzienlijk.

Bovendien krijgen rechters de bevoegdheid om fabrikanten te verplichten interne productinformatie te overleggen — bijvoorbeeld over ontwerp, fabricage of softwarewerking. Deze informatie kan doorslaggevend zijn in het onderbouwen van een claim en geeft consumenten een sterkere uitgangspositie tegenover professionele partijen.

Conclusie

De nieuwe regels maken één ding duidelijk: de productaansprakelijkheid is ingrijpend gemoderniseerd en verruimd. Consumenten krijgen meer mogelijkheden om hun schade vergoed te krijgen, terwijl het aantal partijen dat als producent kan worden aangemerkt flink is uitgebreid. Daarmee speelt de EU in op een samenleving waarin digitale technologieën minstens zo bepalend zijn als fysieke producten en waarin bescherming van de gebruiker centraal moet staan. Lidstaten van de EU hebben tot 9 december 2026 de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving.

Heeft u een probleem in het kader van productaansprakelijkheid? Vraag één van onze Ondernemingsrecht advocaten om advies!

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Tikkende klok voor pensioenpremies: wanneer is te laat echt te laat?⏰

Tikkende klok pensioenpremie

Op 21 maart 2025 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de verjaring van vorderingen tot betaling van pensioenpremies door bedrijfstakpensioenfondsen. Deze uitspraak biedt duidelijkheid over een punt dat in de praktijk regelmatig tot geschillen leidt: wanneer verjaart de vordering van een pensioenfonds op een werkgever?

In deze uitspraak werd Booking.com aangesproken door een bedrijfstakpensioenfonds wegens het niet tijdig betalen van de pensioenpremies voor de werknemers.  Booking.com stelde zich op het standpunt dat de vorderingen waren verjaard.

Volgens artikel 3:308 BW verjaart een vordering tot betaling van periodieke bedragen (zoals pensioenpremies) na vijf jaar vanaf de opeisbaarheid. Deze bepaling is onder andere in het leven geroepen om rechtszekerheid te waarborgen en te voorkomen dat schuldeisers te lang stilzitten.  Maar wanneer is zo’n premie precies opeisbaar?

Dat was de juridische kernvraag in deze zaak. Is dat het moment waarop de premie in theorie betaald had moeten worden (volgens het reglement)? Of pas als het pensioenfonds ontdekt dat de werkgever premie had moeten afdragen en daarom een vordering instelt?

De Hoge Raad overweegt dat het moment van opeisbaarheid in beginsel wordt bepaald door wat daarover is vastgelegd in het pensioenreglement van het fonds. Heeft het fonds bijvoorbeeld bepaald dat premies per kwartaal of per maand verschuldigd zijn, dan is de premie vanaf dat moment opeisbaar en begint ook de verjaringstermijn te lopen.

De Hoge Raad geeft echter 2 uitzonderingen om af te wijken van de regel van opeisbaarheid. De eerste afwijking ziet op het feit dat wanneer de werkgever bewust informatie achterhoudt met betrekking tot de betaling van premie. Dit geldt ook wanneer de werkgever bewust onjuiste feiten mededeelt. In het geval dat de werkgever bewust deze handelingen verricht, gaat de verjaringstermijn pas lopen indien het pensioenfonds op de hoogte is van de juiste feiten. Een andere uitzondering ziet op het moment dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Al met al leert dit arrest ons dat pensioenfondsen hun reglementen zorgvuldig moeten formuleren en actief moeten blijven in het innen van premies. Werkgevers doen er daarnaast goed aan om hun administratie op orde te hebben en transparant te zijn richting het fonds. Verjaring kan een krachtig verweer zijn, maar is zeker geen vrijbrief bij stilzitten of misleiding.

Bij vragen kunt u contact opnemen met Erwin den Hartog en Iris Keemink

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Werknemer veroorzaakt schade: wie draait ervoor op?🤔

Werknemer schade

Een werkgever kan op allerlei manieren vertrouwen tonen in het personeel, dit kan via het ter beschikking stellen van een leaseauto of een laptop bijvoorbeeld. Maar wat als dit vertrouwen wordt beschaamd?

Precies dat speelde onlangs in een zaak bij de rechtbank Midden-Nederland. Een uitzendkracht kreeg van het bedrijf waar hij werkte een leaseauto, die hij ook privé mocht gebruiken. Tijdens werktijd raakte hij echter betrokken bij een verkeersongeval. Op zichzelf al vervelend, maar hier was meer aan de hand: hij had op dat moment een rijontzegging. Het gevolg hiervan was dat de schade (€ 16.000,00+) niet verzekerd was.

Dit betekende dat het bedrijf zelf opdraaide voor de schade. Natuurlijk waren ze hier niet blij mee en daarom werd geprobeerd de schade te verhalen op de uitzendkracht zelf. Die vond dat onterecht. Volgens hem moest het uitzendbureau, zijn formele werkgever, de schade dan maar betalen. De rechter dacht daar echter anders over. Die oordeelde dat hier sprake was van bewust roekeloos gedrag. En in dat geval kan een werknemer persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor de veroorzaakte schade.

Waarom is dit interessant?

Deze uitspraak gaat in wezen over een breder thema dan enkel en alleen het veroorzaken van een verkeersongeluk door een werknemer. Het raakt aan de vraag: wanneer is een werknemer zélf aansprakelijk voor schade die hij of zij tijdens het werk veroorzaakt? Het antwoord hierop is dat werknemers in principe niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor veroorzaakte schade. Maar bij opzet of bewuste roekeloosheid, zoals de rechter hier aanwezig achtte, ligt dat anders. Dan kan een werknemer wel persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. En of diegene nu via een uitzendbureau werkt of niet hoeft in zo’n geval dus geen verschil te maken.

Drie lessen voor ondernemers

    1.    Vertrouwen is prima – maar controle is (soms) beter
    Geef je iemand een auto, laptop of andere kostbare spullen mee? Zorg dan dat je weet met wie je te maken hebt. Check of iemand bijvoorbeeld een geldig rijbewijs heeft en of er eerdere incidenten zijn geweest. Voorkomen is écht beter dan genezen.

    2.    Inhuur? Nog steeds jouw verantwoordelijkheid
    Ook als je werkt met uitzendkrachten, kan je aansprakelijk zijn voor wat er gebeurt. Zorg dus voor heldere afspraken met het uitzendbureau en de uitzendkrachten en kijk kritisch naar je verzekeringen.

    3.    Roekeloos gedrag? Dan mag je ingrijpen
    Als een werknemer zich bewust onverantwoord gedraagt, zoals bijvoorbeeld rijden met een rijontzegging, hoef jij als werkgever niet lijdzaam toe te kijken. In zulke gevallen kan het dus mogelijk zijn om de schade te verhalen op de werknemer persoonlijk, zelfs als het gaat om een uitzendkracht.

    Vragen over het ter beschikking stellen van leaseauto’s, andere bedrijfsmiddelen of door arbeidskrachten veroorzaakte schade? Neem dan contact op met Dennis Oud, Tim van Riel, Elke Hofman-Bijvank, of met Tessa Sipkema.

    Blijf juridisch op de hoogte

    Meld u aan voor onze nieuwsbrief