Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Of e-mail en ontvang binnen 24 uur een antwoord

Header mvo 1 scaled

Nieuws

De haij & van der wende advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Fraude op de werkvloer: als vertrouwen verdwijnt, wat dan?🤔

Fraude op werkvloer

In een recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd een interessante zaak behandeld die ons herinnert aan de complexiteit van fraude op de werkvloer. Hierin bleek dat een werkneemster niet aansprakelijk was voor fraude gepleegd door haar leidinggevende. Dit roept een belangrijke vraag op voor werkgevers, namelijk hoe ga je om met vermoedens van fraude binnen de organisatie? 

Te doorlopen stappen

Als een werkgever vermoedt dat een werknemer betrokken is bij frauduleuze activiteiten is het belangrijk om een aantal stappen te doorlopen. Begin ten eerste met het verzamelen van bewijs. Het heeft geen zin een werknemer te betichten van fraude als je dit als werkgever niet hard kan maken. Vervolgens is het belangrijk om in gesprek te gaan met de werknemer in kwestie om die te confronteren met het vermoeden. Dit gesprek moet open en eerlijk zijn en bij voorkeur wordt de werknemer uitgenodigd op kantoor.

Afhankelijk van de uitkomst van dit gesprek kan een werkgever verschillende maatregelen overwegen. Dit kan variëren van een officiële waarschuwing tot in het ergste geval een ontslag op staande voet. Hierbij is het van belang om de juiste afweging te maken aangezien een verkeerde beslissing aanzienlijke nadelige financiële gevolgen kan hebben.

De schade

Indien een werkgever vervolgens de werknemer aansprakelijk wil stellen is het van belang om te onthouden dat opzet of bewuste roekeloosheid hiervoor noodzakelijk is. Een van beide bewijzen kan voor een werkgever een behoorlijk lastige opgave zijn. 

Preventie

Het is altijd, maar ook zeker in het geval van fraude, het beste om te voorkomen in plaats van te genezen. Dit begint met het versterken van de integriteitscultuur binnen het bedrijf waarbij heldere richtlijnen en controlesystemen essentieel zijn. Overweeg bijvoorbeeld ook om referenties na te trekken bij nieuwe medewerkers of standaard een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan te vragen.

Tot slot, elke situatie is uniek. Wat werkt voor het ene bedrijf, kan voor het andere minder effectief zijn. Blijf alert en voorbereid, en onthoud: in de strijd tegen fraude is kennis van de wet onmisbaar. Bij vermoedens van fraude door een werknemer is het zaak tijdig juridisch advies in te winnen.

Heeft u vragen hierover of heeft u te maken met (een vermoeden van) fraude? Neem dan contact op met Dennis Oud, Tessa Sipkema, Elke Hofman of met Tim van Riel.

U leest de uitspraak hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Toerekening van een toezegging aan een bestuursorgaan: wanneer mag dat eigenlijk?

Justitia

Een vaak gehoorde uitspraak van burgers en bedrijven is dat “de gemeente heeft gezegd dat…” Daarmee wordt dan vaak gedoeld op een uitspraak van een ambtenaar, of een bestuursorgaan. De vraag die in dergelijke zaken vaak aan de orde komt, is of een bepaalde toezegging van een ambtenaar of een bestuursorgaan, aan een (ander) bestuursorgaan kan worden toegerekend.

Ook in de uitspraak van de Hoge Raad van 28 maart 2025 kwam deze vraag weer aan de orde. Meer specifiek ging het in deze uitspraak om een toezegging die door wethouders en casemanagers, als vertegenwoordigers van het college, waren gedaan en die de gemeenteraad toegerekend zouden kunnen worden.

De Hoge Raad oordeelde dat "voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een toezegging die de gemeente dient na te komen, moet worden uitgegaan van de maatstaf die de Afdeling heeft ontwikkeld”. Volgens deze maatstaf kan een gedane toezegging het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend, als de betrokkene een goede reden had om te mogen veronderstellen dat de personen die de toezegging hebben gedaan, daarmee de opvatting van het bestuursorgaan vertolkten.

Als de gemeenteraad het bevoegde bestuursorgaan is, zijn handelingen van (leden van) het college en van gemeenteambtenaren slechts aan de gemeenteraad toe te rekenen, als de gemeenteraad duidelijk heeft gemaakt dat zij instemde met die handelingen. Alleen dan kan een burger of bedrijf op goede gronden veronderstellen dat deze personen de opvatting van de gemeenteraad vertolkten. De belangrijkste reden daarvoor is dat de gemeenteraad, anders dan het college, een democratisch gekozen bestuursorgaan is en geen afbreuk mag worden gedaan aan diens ruimte om een eigen belangenafweging te maken.

Wat betekent dit voor de praktijk? Ga er niet altijd vanuit dat iedere medewerker van de gemeente spreekt namens een bestuursorgaan. Zeker in het geval van toezeggingen die namens de gemeenteraad zouden zijn gedaan, kun je bedrogen uitkomen. Zelfs toezeggingen van een wethouder kunnen niet aan de raad worden toegerekend, als de raad het bevoegde bestuursorgaan is.

U leest de uitspraak hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Bestuursdwang: soms noodzakelijk, maar wordt het wel uitgevoerd zoals het hoort?

Dwangsom

In eerdere blogs ben ik al vaker ingegaan op de verschillende soorten herstelsancties. In de meeste gevallen ging het dan om een last onder dwangsom, maar het is ook mogelijk dat een bestuursorgaan een last onder bestuursdwang oplegt, waarbij een overtreder wordt gelast om een overtreding te beëindigen, anders zal het bestuursorgaan dat doen.

De last onder bestuursdwang stond ook centraal in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2025. De overtreder had een last onder bestuursdwang opgelegd gekregen, vanwege een te hoge vuurlast in zijn woning. Hij had namelijk zoveel spullen in zijn woning verzameld en hij gebruikte de elektra op zo’n onveilige wijze, dat het voor de brandweer onmogelijk zou zijn om bij een calamiteit hulp te bieden. Omdat de overtreding niet door de overtreding werd beëindigd, heeft het college bestuursdwang toegepast. De kosten hiervan bracht het college in rekening bij de overtreder. Om de bestuursdwang uit te voeren, moest het bestuursorgaan middels een machtiging binnentreden in de woning. Zo’n machtiging geldt echter maar drie dagen en het college had in dit geval pas na vier dagen de woning betreden, waardoor de machtiging niet meer gold. Daarnaast had het college de afgevoerde spullen meteen vernietigd, terwijl het college die spullen twee weken had moeten bewaren.

Gelet op de fouten die het college had gemaakt bij de uitvoering, oordeelde de Afdeling dat het college de kosten van de bestuursdwang niet op de overtreder had mogen verhalen.

Wat betekent dit voor de praktijk? Indien u als burger of bedrijf na het ontvangen van een last onder bestuursdwang de overtreding zelf niet beëindigd, kan het college bestuursdwang toepassen. Let in dat geval goed op dat het college die bestuursdwang op de juiste wijze uitvoert en ga na of zij de kosten hiervan wel op u kan verhalen.

Heeft u vragen over het verhalen van kosten van bestuursdwang of over herstelsancties in het algemeen? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.

U leest de uitspraak hier

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Corona als excuus? De grenzen van bestuurdersaansprakelijkheid

Corona virus

Precies 5 jaar geleden stond de wereld op zijn kop. De eerste maatregelen omtrent de Covid-19 periode werden toen genomen door de overheid. Bedrijven moesten sluiten en iedereen moest in quarantaine. Gelukkig kunnen we stellen dat deze tijd achter ons ligt, maar in hoeverre speelt Covid-19 nog steeds een rol in het geval van bestuurdersaansprakelijkheid? In een interessant artikel, dat in het navolgende wordt samengevat, doen mr. L.A. van der Werf en mr. R.J.H. Berghuis onderzoek naar uitspraken van rechters in hoeverre bestuurders hun bestuurdersaansprakelijkheid kunnen verwerpen door een beroep te doen op de Covid-19 crisis wanneer hun onderneming failliet is gegaan.[1]

Eerst wordt kort uiteengezet hoe je als bestuurder aansprakelijk kunt worden gehouden en vervolgens wordt kort ingegaan op het onderzoek in hoeverre rechters het “Covidverweer” vandaag (nog) accepteren.

Bestuurdersaansprakelijkheid

In het geval van een faillissement kan een bestuurder op twee manieren aansprakelijk worden gehouden. Allereerst door de curator op grond van art. 2:248 BW en daarnaast door derden op grond van art. 6:162 BW.

In het geval van art. 2:248 BW moet de curator aantonen dat er sprake is van een boedeltekort in tijde van faillissement en dat dit het gevolg is van het onbehoorlijk handelen van de bestuurder. De maatstaf hiervoor is dat geen redelijk denkend bestuurder, onder dezelfde omstandigheden, op dezelfde wijze zou hebben gehandeld. Onvoorzienbare omstandigheden dienen hierbij buiten beschouwing gelaten te worden. Daarnaast moet de bestuurder weten dat schuldeisers door zijn handelen zouden worden benadeeld. Indien een bestuurder zijn boekhoud- of administratieverplichting niet is nagekomen, wordt dit vermoed de reden te zijn van het faillissement en dat de bestuurder dus onbehoorlijk heeft gehandeld.

In het geval van art. 6:162 BW moet de bestuurder een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Hiervoor is de Beklamel-norm relevant. Dit houdt in dat er sprake is van een ernstig verwijt indien de bestuurder bij het aangaan van een overeenkomst wist, of behoorde te weten, dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook niet genoeg verhaal kon bieden indien hieruit schade zou ontstaan.

Door de Covid-19 crisis gingen veel ondernemingen failliet, waarbij de bestuurder soms aansprakelijk werd gehouden. In hoeverre kon corona als excuus gebruikt worden om aansprakelijkheid te vermijden?

Jurisprudentie onderzoek

Mr. L.A. van der Werf en mr. R.J.H. Berghuis hebben rechtspraak tussen 2020 en 2024 geanalyseerd om helder te krijgen in hoeverre rechters meegingen met een covidverweer. In totaal zijn er 18 relevante uitspraken gewezen in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid waarbij een covidverweer is gevoerd. In deze uitspraken moesten de bestuurders dus aantonen dat corona de voornaamste reden is geweest voor het faillissement.

Er zijn 12 uitspraken gewezen in het kader van een vordering op grond van art. 2:248 BW en 6 uitspraken in het geval van art. 6:162 BW.

In de 12 uitspraken in het kader van art. 2:248 BW ging het dus om een curator die de bestuurder aansprakelijk stelt voor het onbehoorlijk handelen. Uiteindelijk is de rechter slechts in 1 geval meegegaan met het covidverweer. Het faillissement van deze onderneming vond namelijk plaats tijdens de eerste lockdown, toen de overheid nog geen steunmaatregelen had aangeboden. Daarnaast oordeelde het hof dat de curator de aansprakelijkheid niet mocht baseren op relevante informatie die pas ná de lockdown bekend werd gemaakt.  In de overige uitspraken speelde corona wel een rol, maar was het niet de voornaamste reden voor het faillissement. Sommige ondernemingen hadden bijvoorbeeld al belastingschulden, waardoor de rechters oordeelde dat de coronacrisis hier niet een doorslaggevende rol in speelde. Het feit dat er een crisis was, betekende dus niet dat dit zomaar als excuus gebruikt kon worden.

De overige 6 uitspraken gingen nader in of de bestuurder een ernstig verwijt kon worden gemaakt en of daardoor derden de bestuurder aansprakelijk konden stellen in het geval van faillissement. De lat voor deze maatstaf ligt hoog en wordt dus niet vaak aangenomen door de rechter. Het covidverweer slaagde in 5 van de 6 gevallen. Uit het onderzoek blijkt dat een beroep op een ernstig verwijt heel sterk afhangt van de omstandigheden van het geval en met het oog op de crisis niet snel wordt aangenomen dat sprake is van een ernstig verwijt. Er wordt in iedere uitspraak per geval gekeken naar de gevolgen van corona en of de onderneming daadwerkelijk niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen. Daarnaast worden ook algemene omstandigheden meegenomen, zoals dat de webwinkels bijvoorbeeld populairder werden. Mr. L.A. van der Werf en mr. R.J.H. Berghuis concluderen dat al deze algemene omstandigheden ook een grote rol spelen tijdens het bepalen of er sprake is van een ernstig verwijt.

Conclusie

Met het oog op het feit dat in tijde van de coronacrisis veel ondernemingen failliet zijn gegaan, valt het op dat corona niet vaak als reden is gebruikt voor het faillissement. Er zijn slechtst 18 publiceerde uitspraken waarin het covidverweer echt centraal stond. Daarnaast staan de uitkomsten van de twee vormen van aansprakelijkheid tegenover elkaar. Waarbij een covidverweer in het geval van onbehoorlijk handelen niet slaagt, slaagt deze wel wanneer er moet worden beoordeeld of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. In beide gevallen kan in ieder geval wél worden geconcludeerd dat het erg casuïstisch van aard is en dat bestuurders goed moeten aantonen dat ze hun administratie goed op orde hebben.

5 jaar later voelen veel ondernemingen nog steeds een nasleep van de coronacrisis. Een beroep op de crisis om aansprakelijkheid te voorkomen zal echter steeds minder kans hebben van slagen. Laten we ook hopen dat een beroep op dit verweer niet meer nodig is in de toekomst.  

Heeft u toch hulp nodig in het geval van een bestuurdersaansprakelijkheid of heeft u andere ondernemingsrechtelijke vragen; onze Ondernemingsrecht advocaten zullen u altijd te hulp staan!\

[1] L.A. van der Werf en mr. R.J.H. Berghuis, “Bestuurdersaansprakelijkheid en Covid-19. Gaat het ‘covidverweer’ (nog) op?, Tijdschrift voor Curatoren, 2024, nr. 6.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

De rechter maakt de kassa op: werknemer of zzp'er?

Greep uit de kassa

Werkgevers en opdrachtgevers zullen misschien denken: “Daar gaan we weer…”, maar de vraag wanneer iemand een werknemer is en wanneer een zzp’er blijft de gemoederen bezighouden. Op 11 maart jl. deed de rechtbank Rotterdam de uitspraak na het Uber-arrest op dit gebied – en dat maakt het dus zeker de moeite waard om hier bij stil te staan.

Het gaat in deze uitspraak om een bedrijfsleider van een pannenkoekenrestaurant, die werkzaam was op grond van een overeenkomst van opdracht. Nadat deze bedrijfsleider ervan werd beschuldigd een greep uit de kassa te hebben gedaan, is de samenwerking tussen beiden per direct beëindigd. De vraag die aan de rechter is voorgelegd: kwalificeert de samenwerking tussen partijen als een overeenkomst van opdracht of als een arbeidsovereenkomst?

De rechter past de lijn uit het Uber-arrest één-op-één toe: alle gezichtspunten uit Deliveroo worden beoordeeld in onderlinge samenhang, zonder dat één factor doorslaggevend is. Dit houdt dus in dat er werd gekeken naar de feitelijke uitvoering van de samenwerking en niet alleen naar de papieren afspraken. De conclusie? Deze bedrijfsleider was werkzaam op grond van een overeenkomst van opdracht. Daarbij speelde onder meer een rol:

  • dat de bedrijfsleider zelf had aangedrongen op een overeenkomst van opdracht en zelf een overeenkomst daarvoor had aangeleverd;
  • dat de bedrijfsleider wekelijks factureerde met een vast uurtarief, inclusief btw;
  • dat er geen loonbelasting en premies werden ingehouden, geen loonstroken werden verstrekt en er geen verlof- of functioneringsregeling gold;
  • dat de bedrijfsleider was ingeschreven als ondernemer, eerder als zzp’er had gewerkt en na deze opdracht ook;
  • dat de bedrijfsleider een aansprakelijkheidsverzekering had afgesloten.

Hoewel deze bedrijfsleider instructies kreeg en een bepaalde mate van inbedding in de organisatie had, woog dit minder zwaar dan het feit dat hij zelf had gekozen voor het werken als opdrachtnemer en zich naar buiten toe ook als zodanig presenteerde. De door de bedrijfsleider ingestelde vorderingen voor een vergoeding vanwege onrechtmatige opzegging, uitbetaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding werden dan ook afgewezen.  

Wat betekent dit? Deze uitspraak benadrukt dat de contractuele en feitelijke invulling van de samenwerking cruciaal is. Werkgevers en Opdrachtgevers doen er goed aan om niet alleen duidelijke afspraken te maken, maar deze ook in de praktijk te laten aansluiten op de beoogde samenwerkingsvorm. Want wanneer en rechter moet oordelen, kijkt hij naar het totaalplaatje.

Twijfelt u over de inzet van zzp’ers in uw onderneming? Of wilt u meer weten over de juridische risico’s? Neem dan contact op met Dennis Oud, Elke Hofman of Tim van Riel.

U leest de uitspraak hier

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
Noa Bilogrevic
Noa Thumbnail
30 januari 2024
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Ben je als aanvrager van een omgevingsvergunning altijd belanghebbende? Niet als de activiteit niet kan worden gerealiseerd!

Vergunningaanvraag zand

Wanneer uw vergunningaanvraag wordt afgewezen en u hier als aanvrager tegen in bezwaar gaat, verwacht u natuurlijk dat u belanghebbende bent. U bent immers degene die de vergunningaanvraag heeft ingediend en degene die de afwijzing heeft ontvangen. In sommige gevallen komt u dan echter bedrogen uit.

Dit was ook het geval in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 18 maart 2025. In deze zaak wilde de aanvrager de zandweg langs zijn perceel laten verharden. De weg was eigendom van de gemeente en daarom was medewerking van de gemeente vereist. De gemeente weigerde medewerking te verlenen. De aanvrager heeft de weg toen alsnog verhard. De gemeente is vervolgens een handhavingsprocedure gestart en legde een last onder bestuursdwang op, waartegen de aanvrager in bezwaar is gegaan. Daarnaast heeft hij een vergunningaanvraag ingediend om de verharding van de zandweg (alsnog) te legaliseren. Het bezwaar van aanvrager is ongegrond verklaard en derhalve is de aanvrager in beroep gegaan en heeft hij de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. Hij meent namelijk dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet en verwijst naar vaste rechtspraak, waarin is bepaald dat de aanvrager van een vergunning in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een besluit op de aanvraag, behalve als aannemelijk wordt gemaakt dat de activiteit niet kan worden verwezenlijkt.

Volgens de voorzieningenrechter is het aannemelijk dat de verharding van de zandweg niet gelegaliseerd kan worden en de gemeente de vergunningaanvraag dus gaat afwijzen. De aanvrager kan daarom niet worden aangemerkt als belanghebbende, er is geen sprake van een ontvankelijke aanvraag en dus ook niet van concreet zicht op legalisatie. Daar voegt de voorzieningenrechter aan toe dat er geen reden is om onderscheid te maken tussen een aanvraag om een vergunning voor een activiteit die nog uitgevoerd moet worden, of een aanvraag met het oog op legalisering van een al uitgevoerde activiteit.

Twijfelt u of u belanghebbende bent bij een besluit en of uw bezwaar of beroep ontvankelijk zal zijn? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.

U leest de uitspraak hier.

Blijf juridisch op de hoogte

Meld u aan voor onze nieuwsbrief