Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Of e-mail en ontvang binnen 24 uur een antwoord

Header mvo 1 scaled

Nieuws

De haij & van der wende advocaten

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Gebruik onjuiste wetgeving door de rechtbank gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb

Omgevingsvergunning

Door de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is er het tegenwoordig vaak verwarring over welke wetgeving nu precies van toepassing is op een besluit: de oude of toch de nieuwe?

De hoofdregel is dat de Omgevingswet van toepassing is op besluiten die vanaf 1 januari 2024 zijn genomen. Op deze hoofregel bestaan echter uitzonderingen. Er zijn namelijk gevallen, waarbij de procedure al is begonnen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar het besluit pas na 1 januari 2024 wordt genomen. In die gevallen zorgt het overgangsrecht ervoor dat de oude regelgeving van toepassing is. Bijvoorbeeld,: een vergunningaanvraag is op 31 december 2023 is ingediend, maar er wordt pas op 12 maart 2024 op beslist. De procedure is gestart vóór 1 januari 2024, dus geldt het oude recht.

Dat hier nogal eens fouten mee worden gemaakt, blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2025. In deze zaak had het college van de gemeente Noordwijk ten onrechte de Omgevingswet van toepassing verklaard op een last onder dwangsom. Het voornemen tot het opleggen van de last onder dwangsom was namelijk al vóór 1 januari 2024 bekend gemaakt. De procedure was dus voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet begonnen, waardoor de oude wetgeving van toepassing moest blijven.

Normaliter is dit een reden om een besluit te vernietigen, maar de rechtbank oordeelde in dit geval anders. In dit geval bevatte de oude en de nieuwe wetgeving namelijk hetzelfde regels voor dit specifieke geval, waardoor de eisers en derden niet benadeeld werden door de fout van het college. De rechtbank oordeelde daarom dat deze fout gepasseerd kon worden met toepassing van artikel 6:22 Awb. Kort gezegd betekent dat, dat de rechtbank de fout negeert en de zaak behandelt alsof die fout niet is gemaakt, omdat niemand last heeft van de fout.

Heeft u vragen over de toepasselijke wetgeving op een door u ontvangen besluit of een vastgesteld bestemmingsplan? Neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.

U leest de uitspraak hier

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel: parkeerdruk mag omgevingsvergunning niet blokkeren🚧

Parkeerdruk

In haar uitspraak van 25 augustus 2025 diende de rechtbank Noord-Holland te beoordelen of appellante een beroep kon doen op het vertrouwensbeginsel vanwege uitspraken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar.

Eerst even een korte uitleg over het vertrouwensbeginsel, meer specifiek over wanneer het beginsel van toepassing is. Er moet worden voldaan aan drie voorwaarden. Allereerst moet sprake zijn van een concrete en ondubbelzinnige toezegging, waaruit de burger het gerechtvaardigd vertrouwen kon afleiden. Ten tweede moet de toezegging kunnen worden toegerekend aan het bestuursorgaan. Hiermee wordt voorkomen dat elke uitspraak van een ambtenaar onder het vertrouwensbeginsel kan vallen. Ten derde dient te worden bezien of het in het concrete geval redelijk is om van het bestuursorgaan te vorderen dat gehoor wordt gegeven aan het gewekte vertrouwen. Oftewel, er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de belangen van de burger bij wie het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt, en (onder andere) het algemeen belang.

Dan nu naar de zaak. Appellante had een vergunningaanvraag ingediend voor het verbouwen van een kantoorruimte in 9 appartementen. De aangevraagde omgevingsvergunning werd in eerste instantie verleend, maar na bezwaar van een derde alsnog ingetrokken, omdat de parkeerdruk in de omgeving onevenredig zou toenemen door de nieuwe appartementen. Appellante is vervolgens in beroep gegaan. Zij meende onder meer dat sprake was van strijd met het vertrouwensbeginsel. Het college zou bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat haar plan kon worden gerealiseerd.

Dat zit zo: vóór het indienen van de vergunningaanvraag, heeft appellante een adviesaanvraag ingediend bij het college. Op die adviesvraag reageerde het college positief, door onder meer te concluderen dat de parkeerdruk in de omgeving niet toe zou nemen. Het college maakte wel het voorbehoud dat andere aspecten en belangen nog moesten worden getoetst en afgewogen en dat daarom nog niet vast stond dat de omgevingsvergunning zou worden verleend.

Volgens appellante heeft het college met de opmerking dat de parkeerdruk niet zou toenemen, bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend en kon de omgevingsvergunning dus niet op die grondslag worden ingetrokken. De rechtbank volgt dit standpunt van appellante. Dat in de reactie op de adviesvraag is aangegeven dat niet vast stond dat de omgevingsvergunning zou worden verleend doet daar niets aan af, omdat dit voorbehoud alleen zag op de "andere aspecten en belangen" en niet op de verkeersdruk. Dat stond immers al vast.

Concreet was dus sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat het college bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de verkeersdruk niet in de weg zou staan aan het verlenen van de omgevingsvergunning, maar het college de omgevingsvergunning alsnog op die grond heeft ingetrokken.

Heeft u vragen over het vertrouwensbeginsel, neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.

U leest de uitspraak hier

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Een verleende omgevingsvergunning zorgt niet altijd voor een concreet zicht op legalisatie 

Bouw stallen legalisatie

Wanneer een belanghebbende een handhavingsverzoek indient, moet het bevoegd gezag in beginsel altijd handhavend optreden. Dit heet de beginselplicht tot handhaving. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel. De eerste is het evenredigheidsbeginsel. Als handhavend optreden in een concreet geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, moet het bestuursorgaan van handhaving afzien. De tweede is concreet zicht op legalisatie. Kort gezegd betekent dat, dat de overtreding op korte termijn zal worden gelegaliseerd. 

Van concreet zicht op legalisatie is sprake als een omgevingsvergunning wordt verleend die de overtreding legaliseert. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025 blijkt echter dat niet alle verleende omgevingsvergunningen zorgen voor concreet zicht op legalisatie. In de uitspraak gaat het om een handhavingsverzoek die door een omwonende is ingediend tegen een nabijgelegen veehouderij, waar hij overlast van ondervindt. Het college stelt zich op het standpunt dat er inderdaad sprake is van een overtreding, omdat de veehouderij te dicht op de woning van de omwonende is gelegen. Toch wordt het handhavingsverzoek afgewezen, vanwege concreet zicht op legalisatie. Er is namelijk een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe stal op een andere plaats op het perceel, ter vervanging van een deel van de bestaande stallen. Het college meent dat de overtreding daarmee ongedaan wordt gemaakt en dat handhaving daarom niet nodig was.

De Afdeling is het hier niet mee eens. Zij oordeelt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat de vergunningverlening voor de nieuwe stal er niet voor zorgt dat de bestaande situatie wordt gelegaliseerd. Er wordt enkel een nieuwe situatie toegestaan waarmee wordt beoogd om te voldoen aan de relevante wet- en regelgeving.

Met deze uitspraak wordt de toepassing van de uitzondering van een concreet zicht op legalisatie beperkt tot situaties waarin de overtreding daadwerkelijk wordt gelegaliseerd. De uitzondering geldt dus niet voor situaties waarin enkel een nieuwe, legale situatie wordt gecreëerd op een andere plaats.

U leest de uitspraak hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Werknemer bouwt ná 104 weken ziekte toch wettelijke vakantiedagen op!⏳

Vakantieopbouw

In deze zaak ging het om een werknemer die sinds 1995 in dienst was als lasser. Na een motorongeluk in 2019 raakte hij volledig arbeidsongeschikt. De loondoorbetalingsplicht van de werkgever, inclusief loonsanctie, eindigde uiteindelijk op 1 maart 2024. Omdat terugkeer naar het werk niet meer mogelijk was, verzocht de werknemer aan de werkgever om via een vaststellingsovereenkomst uit elkaar te gaan onder toekenning van de transitievergoeding. De werkgever weigerde echter mee te werken.

Xella-uitspraak

De kantonrechter maakte korte metten met deze houding en verwees expliciet naar de Xella-uitspraak van de Hoge Raad (2019). In dat arrest is geoordeeld dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) verplicht is mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband, mét betaling van de transitievergoeding. 

In lijn daarmee ontbond de rechter de arbeidsovereenkomst en kende een transitievergoeding toe van ruim € 37.500,00. Daarbovenop moest de werkgever meer dan € 13.000,00 aan niet-genoten vakantiedagen uitbetalen. Waarom? Omdat ook ná de 104 weken arbeidsongeschiktheid de opbouw van wettelijke vakantiedagen doorloopt. 

Opbouw vakantiedagen ná 104 weken

Vorig jaar oordeelde een andere rechter van de Rechtbank Gelderland nog dat over de periode waarin geen recht meer bestaat op loon, ook geen vakantiedagen worden opgebouwd. Dit volgt namelijk uit de Nederlandse wetgeving (artikel 7:634 lid 1 BW). Hoewel die rechter vorig jaar ook al aangaf dat onze regelgeving in strijd is met Europees recht en - jurisprudentie, wilde deze rechter zich er niet aan wagen om tegen de wet in te oordelen. 

In deze zaak kwam de kantonrechter in Arnhem tot een andere conclusie: er bestaat wel een bevoegdheid om tegen de nationale wet in te oordelen. Het Handvest Grondrechten EU biedt daartoe uitkomst. 

Voor de juristen onder ons legt de kantonrechter dit als volgt uit: In artikel 31 lid 2 van het Handvest is immers ook het recht op vakantie neergelegd. Het HvJ EU heeft in het Max Planck-arrest verduidelijkt dat artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU kan worden ingeroepen in een geschil tussen particulieren. Verder heeft dat Hof geoordeeld dat, ingeval een nationale regeling niet op een zodanige manier kan worden uitgelegd dat zij verenigbaar is met artikel 31 lid 2 Handvest Grondrechten EU, het aan de nationale rechter is om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voortvloeit uit die bepaling en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, de nationale regeling die daarmee strijdig is buiten toepassing te laten. In de literatuur wordt verdedigd dat op vergelijkbare wijze een Nederlandse werkgever zich niet kan beroepen op de beperking van artikel 7:634 lid 1 BW, inhoudende dat een werknemer alleen vakantie opbouwt als hij recht op loon heeft.

Met andere woorden: dat een werknemer alleen vakantie-uren opbouwt over de tijd waarin hij aanspraak heeft op loon, is in strijd met Europees recht. 

Voor alle werkgevers en niet-juristen goed om te weten: Zieke werknemers bouwen de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee jaren, volledig (wettelijke) vakantie-uren op, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon. 

Ons advies: beoordeel tijdig of een dienstverband met een werknemer die na 104 weken nog steeds arbeidsongeschikt is, moet worden beëindigd en doe dit op correcte wijze. Dat voorkomt onnodige procedures én extra (vakantie)kosten.

Dat deze uitspraak massaal tot navorderingen zal leiden, is overigens niet waarschijnlijk. In de meeste vaststellingsovereenkomsten is namelijk een finale kwijtingsbepaling opgenomen. 

Heeft u vragen? Neem dan contact op met Dennis Oud, Tessa Sipkema en Elke Hofman

U leest de uitspraak hier.

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Verzenden versus ontvangen: een terugkerend discussiepunt

Ontvangstbesluit

Het is een bekend discussiepunt in het bestuursrecht; de verzending en ontvangst van besluiten van bestuursorganen. Normaal gesproken wordt aangenomen dat een besluit op de juiste wijze is verzonden, als het bestuursorgaan aan kan tonen dat een besluit met een erkend postvervoerbedrijf naar het juiste adres is verzonden. 

Betekent dit dan altijd dat een burger of bedrijf die stelt dat een besluit niet is ontvangen, met lege handen staat? In haar uitspraak van 20 augustus 2025 oordeelt de Afdeling van niet. De zaak draaide om het hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De rechtbank had het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep buiten de beroepstermijn was ingesteld. Appellante betoogde dat zij de beslissing op bezwaar te laat had ontvangen, waardoor zij niet binnen de termijn in beroep kon gaan. Volgens de rechtbank was de beslissing op bezwaar voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en was tevens sprake van een deugdelijke verzendadministratie, waardoor voldoende aannemelijk was geworden dat de beslissing op bezwaar was verzonden. Appellante kon zich niet vinden in dit oordeel en is in hoger beroep gegaan bij de Afdeling. 

De Afdeling volgde de rechtbank in het oordeel dat aannemelijk was geworden dat het besluit was verzonden. Echter, de Afdeling oordeelde ook dat appellante het vermoeden van ontvangst onvoldoende had ontzenuwd, onder meer omdat appellante had aangetoond dat zij meerdere malen bij het college had geïnformeerd naar de stand van zaken van de bezwaarprocedure, maar ook omdat zij, nadat zij de beslissing op bezwaar alsnog had ontvangen, snel beroep heeft ingesteld, kort nadat de beroepstermijn was verlopen. 

Concreet betekende dit, dat, ondanks dat het college aannemelijk had gemaakt dat het besluit is verzonden, appellante afdoende heeft aangetoond het besluit niet te hebben ontvangen. Daarom is het hoger beroep van appellante bij de Afdeling gegrond verklaard en had zij bij de rechtbank wél ontvankelijk moeten worden verklaard. 

U leest de uitspraak hier

Lennart Hordijk
Lennart hordijk small
Dennis Oud
Dennis rond 200x200
Erwin den Hartog
Erwin rond 200x200
Fleur Huisman
Fleur 1
Petra Lindthout
Petra lindhout pf
Tessa Sipkema
Tessa rond 200x200
Gerard van der Wende
Gerard rond 200x200
Elke Hofman-Bijvank
Elke 1
Bas van der Eijk
Bas advocaat Rotterdam
Tim van Riel
Tim portret
Iris Keemink
Iris portret
De Haij & van der Wende
Logo Haij Wende

Grondslag van sanctiebesluiten:
hoe en door wie moeten feiten en omstandigheden worden verzameld?⚖️

Rechtspraak hamer 2

Indien een bestuursorgaan een sanctiebesluit, zoals een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang, oplegt, moet hieraan een controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Immers, handhavend optreden is alleen mogelijk als sprake is van een overtreding.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2025 moest worden geoordeeld hoe en door wie deze feiten en omstandigheden dienen te worden verzameld. In deze zaak had het college besloten niet handhavend op te treden op basis van door een deskundige uitgevoerde controles, maar was zij voorbij gegaan aan foto’s van derden die wel relevant waren.

De Afdeling oordeelde dat de vaststelling van de feiten en omstandigheden moet worden gedaan door een deskundige, in opdracht van het bevoegd gezag. De vastgestelde feiten en omstandigheden dienen vervolgens op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan onder meer in een schriftelijke rapportage, maar bijvoorbeeld ook met foto’s. De relevante feiten en omstandigheden hoeven niet (alleen) door de deskundige zelf te zijn waargenomen. Feiten en omstandigheden kunnen ook worden vastgesteld door deze af te leiden uit door hem aangetroffen stukken. Dit kunnen bijvoorbeeld ook foto’s zijn die door derden zijn gemaakt, of andersoortige informatie en stukken. Het is dus in sommige gevallen niet voldoende om een besluit om al dan niet handhavend op te treden enkel te baseren op controles door de deskundige, wanneer er ook andere relevante informatie aanwezig is die moet worden bezien.

U leest de uitspraak hier.

Blijf juridisch op de hoogte

Meld u aan voor onze nieuwsbrief