Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat opnieuw zien dat werkgevers alert moeten zijn bij de inzet van zelfstandigen, interim professionals en opdrachtnemers via een eigen B.V.
In deze zaak werkte een registeraccountant via zijn vennootschap voor een accountantskantoor. Partijen hadden bewust gekozen voor een overeenkomst van opdracht. Er werd gefactureerd met btw en in de overeenkomst stond uitdrukkelijk dat geen arbeidsovereenkomst was beoogd. Ook was opgenomen dat de werker zich daar later niet alsnog op zou mogen beroepen.
Toch oordeelde het hof dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Het hof keek daarbij niet naar wat partijen de overeenkomst noemden, maar naar de overeengekomen rechten en plichten en de feitelijke invulling daarvan, in onderling verband bezien. De accountant verrichtte kernwerkzaamheden voor de organisatie, werkte fulltime, diende de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, had beperkte ruimte om voor andere opdrachtgevers te werken en ontving een vaste maandelijkse vergoeding. Daarnaast waren afspraken gemaakt over onder meer vakantiedagen en de plaats waar de werkzaamheden werden verricht.
Die omstandigheden wogen zwaar. Dat partijen zelf geen arbeidsovereenkomst wilden sluiten, maakte volgens het hof niet doorslaggevend verschil. De kwalificatie van een arbeidsrelatie wordt immers bepaald aan de hand van de overeengekomen rechten en verplichtingen en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven.
Opvallend is dat het hof ook meeweegt dat de werker zelf bewust had aangestuurd op de constructie via zijn B.V. en daarvan fiscaal voordeel had. Het hof noemt zijn latere beroep op werknemersbescherming weinig sympathiek en opportunistisch. Toch stond dat niet in de weg aan de conclusie dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Omdat de samenwerking als arbeidsovereenkomst werd aangemerkt, had de werkgever de overeenkomst niet zonder instemming van de werknemer of toestemming van het UWV mogen beëindigen. De werkgever werd daarom veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Wel bracht het hof nuance aan bij de financiële gevolgen. De overeengekomen opdrachtvergoeding werd niet zonder meer gelijkgesteld aan het arbeidsloon. Volgens het hof bevatte de fee ook elementen die samenhingen met de gekozen opdrachtconstructie, zoals flexibiliteit en het ontbreken van reguliere ontslagbescherming. Het hof stelde daarom een lager bruto maandloon vast voor de berekening van de vergoedingen.
De uitspraak past in een bredere ontwikkeling. Niet alleen de rechtspraak, maar ook de wetgever zet verder aan tot herbeoordeling van zzp-relaties.
De Eerste Kamer heeft op 16 juni 2026 ingestemd met de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief. De introductie van het rechtsvermoeden maakt het voor zzp’ers die minder dan 38 euro per uur verdienen (peildatum 1 januari 2026) makkelijker om te stellen dat zij een arbeidsovereenkomst hebben.
Doet een zzp’er die onder deze grens werkt een beroep op dat rechtsvermoeden, dan verschuift de bewijslast. Het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan kan de zzp’er aanspraak maken op werknemersbescherming, zoals loondoorbetaling en ontslagbescherming.
Belangrijk is dat er geen overgangsrecht is aangekondigd. Het rechtsvermoeden zal dus vanaf de inwerkingtreding ook relevant zijn voor bestaande overeenkomsten. Organisaties die met lager betaalde zzp’ers werken, doen er daarom verstandig aan niet te wachten tot de wet formeel in werking is getreden.
De lijn is duidelijk: een goed contract blijft belangrijk, maar is niet genoeg. Kijk naar de praktijk: welke werkzaamheden worden verricht, hoe zelfstandig is de opdrachtnemer echt, hoe structureel is de inzet, hoe wordt betaald en welke instructies of organisatorische inbedding zijn er?
Met het nieuwe rechtsvermoeden komt daar voor laagbetaalde zzp’ers een extra risico bij. Niet alleen de inhoud van de overeenkomst en de feitelijke uitvoering tellen, maar ook het uurtarief kan straks het startpunt vormen voor een discussie over werknemerschap.
Heeft u vragen? Neem dan contact op met Dennis Oud, Tessa Sipkema, Noa Bilogrevic of Elke Hofman-Bijvank.
U leest de uitspraak hier.
Wij wijzen erop dat de inhoud van onze website (inclusief eventuele juridische bijdragen) uitsluitend bedoeld is voor niet-bindende informatieve doeleinden en niet dient als juridisch advies in strikte zin. De inhoud van deze site kan en mag niet dienen als vervanging van individueel en bindend juridisch advies dat betrekking heeft op jouw specifieke situatie. Alle informatie wordt daarom verstrekt zonder garantie voor juistheid, volledigheid en actualiteit.
Een onherroepelijke uitspraak betekent niet dat de feiten ook onherroepelijk vaststaan
Terugblik op een prachtige jubileum golfdag! ⛳️