Direct een advocaat nodig? Bel: +31 10 220 44 00

In haar uitspraak van 25 augustus 2025 diende de rechtbank Noord-Holland te beoordelen of appellante een beroep kon doen op het vertrouwensbeginsel vanwege uitspraken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar.
Eerst even een korte uitleg over het vertrouwensbeginsel, meer specifiek over wanneer het beginsel van toepassing is. Er moet worden voldaan aan drie voorwaarden. Allereerst moet sprake zijn van een concrete en ondubbelzinnige toezegging, waaruit de burger het gerechtvaardigd vertrouwen kon afleiden. Ten tweede moet de toezegging kunnen worden toegerekend aan het bestuursorgaan. Hiermee wordt voorkomen dat elke uitspraak van een ambtenaar onder het vertrouwensbeginsel kan vallen. Ten derde dient te worden bezien of het in het concrete geval redelijk is om van het bestuursorgaan te vorderen dat gehoor wordt gegeven aan het gewekte vertrouwen. Oftewel, er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de belangen van de burger bij wie het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt, en (onder andere) het algemeen belang.
Dan nu naar de zaak. Appellante had een vergunningaanvraag ingediend voor het verbouwen van een kantoorruimte in 9 appartementen. De aangevraagde omgevingsvergunning werd in eerste instantie verleend, maar na bezwaar van een derde alsnog ingetrokken, omdat de parkeerdruk in de omgeving onevenredig zou toenemen door de nieuwe appartementen. Appellante is vervolgens in beroep gegaan. Zij meende onder meer dat sprake was van strijd met het vertrouwensbeginsel. Het college zou bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat haar plan kon worden gerealiseerd.
Dat zit zo: vóór het indienen van de vergunningaanvraag, heeft appellante een adviesaanvraag ingediend bij het college. Op die adviesvraag reageerde het college positief, door onder meer te concluderen dat de parkeerdruk in de omgeving niet toe zou nemen. Het college maakte wel het voorbehoud dat andere aspecten en belangen nog moesten worden getoetst en afgewogen en dat daarom nog niet vast stond dat de omgevingsvergunning zou worden verleend.
Volgens appellante heeft het college met de opmerking dat de parkeerdruk niet zou toenemen, bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend en kon de omgevingsvergunning dus niet op die grondslag worden ingetrokken. De rechtbank volgt dit standpunt van appellante. Dat in de reactie op de adviesvraag is aangegeven dat niet vast stond dat de omgevingsvergunning zou worden verleend doet daar niets aan af, omdat dit voorbehoud alleen zag op de "andere aspecten en belangen" en niet op de verkeersdruk. Dat stond immers al vast.
Concreet was dus sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat het college bij appellante het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de verkeersdruk niet in de weg zou staan aan het verlenen van de omgevingsvergunning, maar het college de omgevingsvergunning alsnog op die grond heeft ingetrokken.
Heeft u vragen over het vertrouwensbeginsel, neem dan contact op met Gerard van der Wende of met Fleur Huisman.
U leest de uitspraak hier.
Wij wijzen erop dat de inhoud van onze website (inclusief eventuele juridische bijdragen) uitsluitend bedoeld is voor niet-bindende informatieve doeleinden en niet dient als juridisch advies in strikte zin. De inhoud van deze site kan en mag niet dienen als vervanging van individueel en bindend juridisch advies dat betrekking heeft op jouw specifieke situatie. Alle informatie wordt daarom verstrekt zonder garantie voor juistheid, volledigheid en actualiteit.